icon

Sluiting café en intrekking exploitatievergunning: bestraffend of herstellend?

Het komt regelmatig voor dat burgemeesters overgaan tot sluiting van horecagelegenheden of het intrekken van exploitatievergunningen. Deze maatregelen hebben doorgaans grote gevolgen voor een ondernemer. Een bekende vraag is of zulke besluiten niet eigenlijk een bestraffend karakter hebben. Recent heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 26 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1284) hierover duidelijkheid gegeven in een zaak uit Rotterdam. Een café werd gesloten en de exploitatievergunning werd ingetrokken. In deze blog bespreek ik de essentie van die uitspraak.

Sluiting en intrekking vergunning in Rotterdam

De burgemeester van Rotterdam besloot in februari 2020 om een café te sluiten voor drie maanden en de exploitatievergunning van de uitbater voor onbepaalde tijd in te trekken. Aanleiding was een politierapportage na een preventieve fouilleeractie, waarbij illegaal gokken, een handelshoeveelheid cocaïne en wapens werden aangetroffen. In bezwaar en beroep hield de burgemeester vast aan zijn besluit.

Het beroep op het MV-98 arrest

De caféhouder voerde in hoger beroep onder andere aan dat de sluiting en intrekking een punitief karakter hadden en verwees naar het arrest “MV-98” van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2023:371). Daarin werd geoordeeld dat de sluiting van bedrijfsruimten een strafrechtelijke sanctie kan zijn wanneer die met een repressief doel wordt opgelegd. Volgens de appellant had ook de Rotterdamse burgemeester hem in feite willen straffen voor de aangetroffen feiten. Dit zou betekenen dat hij dezelfde rechtsbescherming zou moeten genieten als in een strafrechtelijke procedure, zoals het recht op cautie.

Drie criteria uit Europese rechtspraak

Het Hof van Justitie hanteert drie criteria om te beoordelen of een maatregel strafrechtelijk van aard is:

  • De juridische kwalificatie naar nationaal recht.
  • De aard van de overtreding.
  • De zwaarte van de maatregel.

De Afdeling overweegt dat in Nederland sluiting en intrekking van vergunningen in de artikelen 2:28, zesde lid, onder a, en 2:30, eerste lid, van de APV worden geregeld. Uit het besluit en de toelichting van de burgemeester bleek verder duidelijk dat de maatregelen waren gericht op herstel: het beëindigen van de nadelige invloed op de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Hoewel sluiting en intrekking ingrijpende gevolgen hebben, betekent dit niet automatisch dat sprake is van strafrechtelijke sancties. De Afdeling volgde het betoog dus niet.

Belang voor de praktijk

Zowel de rechtbank Rotterdam als de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigden uiteindelijk de rechtmatigheid van de maatregelen van de burgemeester. Volgens de Afdeling waren de besluiten gebaseerd op de APV, die de burgemeester bevoegdheden geeft wanneer de openbare orde of het leefklimaat in de omgeving door een horecazaak nadelig worden beïnvloed. De maatregelen waren dus niet bedoeld als straf, maar als herstel van de openbare orde.

Deze uitspraak onderstreept wederom het onderscheid: bestuursrechtelijke maatregelen kunnen voor ondernemers zwaar voelen, maar zijn niet per definitie strafrechtelijk. Wel moeten burgemeesters zorgvuldig motiveren waarom sluiting of intrekking noodzakelijk is, en nagaan of de maatregel proportioneel is. In dit geval wees de Afdeling erop dat de burgemeester rekening had gehouden met zowel de ernst van de feiten (in dit geval de aanwezigheid van drugs, gokken, wapens) als de belangen van de ondernemer.

Heeft u vragen?

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Sluiting café en intrekking exploitatievergunning: bestraffend of herstellend?

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief