Procederen bij faillissement: wat gebeurt er met lopende en nieuwe rechtszaken?
De regels van artikelen 25 t/m 31 Faillissementswet uitgelegd
Wanneer een schuldenaar failliet wordt verklaard, heeft dat niet alleen gevolgen voor de schulden en bezittingen van de failliet, maar ook voor gerechtelijke procedures waarbij de failliet partij is. De Faillissementswet (Fw) bevat in de artikelen 25 tot en met 31 specifieke regels over hoe moet worden omgegaan met procedures die al lopen of nog gestart moeten worden. In deze blog bespreken wij de hoofdlijnen.
Art. 25, 27 en 28 Fw – Procedures over niet-verifieerbare vorderingen
Procespartij na faillissement
Art. 25 Fw bepaalt dat rechtsvorderingen die zien op rechten en verplichtingen van de boedel waarbij vermogensbelangen van de boedel een rol spelen door of tegen de curator moeten worden ingesteld. Dit kan bijvoorbeeld gaan om vorderingen op derden die goederen die tot de boedel behoren weigeren af te geven of vorderingen van derden die menen dat de curator juist ten onrechte hun goederen onder zich houdt. Art. 25 Fw ziet ook op vorderingen tegen gefailleerde tot ontruiming uit het gehuurde bedrijfspand of vorderingen van gefailleerde op handelsdebiteuren.
Dagvaardingen, exploten, termijnstellingen etc. met betrekking tot de failliete boedel moeten aan de curator worden uitgebracht (art. 99 lid 2 Fw).
Art. 25 Fw heeft geen betrekking op rechtsvorderingen waarbij het vermogen van de boedel niet betrokken is, maar alleen gefailleerde persoonlijk of buiten het faillissement vallend vermogen. Die rechtsvorderingen kunnen nog steeds door of tegen de gefailleerde worden ingesteld.
Gevolgen voor reeds ingestelde procedures
Is een procedure over niet-verifieerbare vorderingen vóór faillissement door de latere gefailleerde ingesteld, dan is de gedaagde ex art. 27 Fw bevoegd om schorsing van de procedure te verzoeken om de curator tot overneming van de procedure op te roepen. Door overneming wordt de curator partij in de procedure en wordt de gefailleerde buiten het geding gesteld. Neemt de curator de procedure niet over, dan kan de gedaagde ontslag van instantie vorderen.
Is een procedure over niet-verifieerbare vorderingen vóór faillissement tegen de latere gefailleerde ingesteld, dan is de eiser ex art. 28 Fw bevoegd schorsing van de procedure te verzoeken om de curator tot overneming van de procedure op te roepen. Roept de eiser de curator niet op, dan heeft een eventueel veroordelend vonnis geen rechtskracht tegen de boedel. Ik het geval bijvoorbeeld een verhuurder voorafgaand aan het faillissement een rechtsvordering tot ontruiming heeft ingesteld, zal hij een ontruimingsvonnis niet tegen de boelde ten uitvoer kunnen leggen indien hij de curator niet oproept.
Wanneer de eiser de curator wel oproept, zijn er drie uitkomsten:
- De curator neemt de procedure niet over; de procedure kan tegen de gefailleerde worden voortgezet en een eventuele veroordeling heeft rechtskracht tegen de boedel.
- De curator neemt de procedure wel over en stemt direct in met de eis; de proceskosten van de eiser zijn geen boedelschuld.
- De curator neemt de procedure wel over en voert verweer; een eventuele proceskostenveroordeling is een boedelschuld.
Art. 26 en 29 Fw – Procedures over verifieerbare vorderingen
Procespartij na faillissement
Wanneer een schuldeiser een vordering op gefailleerde heeft strekt tot nakoming van een verbintenis uit de boedel, kan die niet via een gewone civiele procedure worden afgedwongen. Artikel 26 Fw verwijst de schuldeiser naar de verificatieprocedure: hij moet zijn vordering bij de curator indienen, waarna de vordering op de verificatievergadering wordt behandeld. Dit artikel geeft uitdrukking aan het beginsel van gelijkheid van schuldeisers.
Gevolgen voor reeds ingestelde procedures
Op grond van art. 29 Fw worden aanhangige procedures over verifieerbare vorderingen van rechtswege geschorst. Alleen in het geval de verificatie van de vordering wordt betwist, wordt de procedure na de verificatievergadering voortgezet. In dat geval wordt de curator of de schuldeiser (afhankelijk van wie de betwisting doet) partij in het geding in plaats van de gefailleerde.
Uitzondering: procedure staat voor uitspraak
Een procedure die is ingesteld vóór de faillietverklaring en waar op de datum van het faillissement alle stukken tot het geven van een beslissing aan de rechter zijn overgelegd, wordt niet ex art. 27 t/m 29 Fw geschorst. Alle proceshandelingen zijn dan al verricht en partijen kunnen geen invloed op de uitspraak meer uitoefenen. Het ná datum te wijzen vonnis heeft dan dezelfde rechtskracht jegens de boedel als een vonnis dat vóór het faillissement is gewezen. In beide gevallen kan er echter na de faillietverklaring geen executoriaal beslag (meer) worden gelegd op het vermogen dat tot de boedel behoort.
Procespauliana
Wanneer de curator een procedure van gefailleerde overneemt, kan hij worden geconfronteerd met eerdere proceshandelingen van gefailleerde die benadelend zijn voor de schuldeisers. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het erkennen van vorderingen of het nalaten bepaalde verweren te voeren. In beginsel is de curator aan die proceshandelingen gebonden. Slechts in het geval de curator bewijst dat gefailleerde zijn schuldeisers bewust heeft benadeeld en deze benadeling bij de wederpartij bekend was, kan de curator ex art. 31 Fw de nietigheid inroepen van die handelingen.
Tot slot
De regeling van art. 25 t/m 31 Fw beoogt vooral orde te scheppen in de afwikkeling van rechtsvorderingen. Waar gefailleerde vóór faillissement zijn eigen procespositie had, wordt die na de uitspraak grotendeels overgenomen door de curator, in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Voor procespartijen is het dus essentieel om alert te zijn op de procesrechtelijke gevolgen van een faillissement.
Heeft u vragen over procedures rondom de faillietverklaring? Wieringa Advocaten is u graag van dienst. Neem gerust contact met ons op.