Volledige matiging van bestuurdersaansprakelijkheid
In faillissement is iedere bestuurder aansprakelijk voor het volledige boedeltekort als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Schending van de administratie- of publicatieplicht levert een onweerlegbaar vermoeden op van dit onbehoorlijk bestuur. Toch laat het gerechtshof Den Haag in haar arrest van 14 april 2026 zien dat dit niet automatisch leidt tot veroordeling van het bestuur tot betaling van het volledige boedeltekort (ECLI:NL:GHDHA:2026:562).
De curator van de failliete vennootschap Dudok Groep B.V. (de voormalige holding van de Dudok-horecagroep) stelt haar statutair bestuurder en feitelijke beleidsbepalers aansprakelijk wegens – onder meer – kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 2:248 BW). Aan deze vordering legt de curator ten grondslag dat het bestuur van Dudok Groep de jaarrekeningen over 2016, 2017 en 2018 niet, respectievelijk niet tijdig, heeft gepubliceerd.
De procedure
De rechtbank Rotterdam heeft de vordering van de curator op grond van artikel 2:248 BW toegewezen en de bestuurders aansprakelijk gehouden voor het boedeltekort. Immers, op grond van artikel 2:248 lid 2 BW staat onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur vast bij schending van de administratie- of publicatieplicht (artikelen 2:10 en 2:394 BW) en wordt vermoed dat dit onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het bestuur kan dit vermoeden weerleggen door het te ontzenuwen, maar slaagde daar niet in. De bestuurders gaan vervolgens met succes in hoger beroep. Niet omdat zij aan aansprakelijkheid weten te ontkomen, maar omdat het hof aanleiding ziet het bedrag dat aan die aansprakelijkheid wordt gekoppeld tot nihil te matigen.
Het hof stelt (net als de rechtbank) vast dat door schending van de publicatieplicht de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur vaststaat. Vervolgens gaat het hof na of de bestuurders erin slagen het vermoeden – dat dit onbehoorlijk bestuur ook een belangrijke oorzaak is van het faillissement – te ontzenuwen. Voor ontzenuwing is afdoende dat de bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest (zie in dit verband het Blue Tomato– en het latere Mobile Service–arrest).
De bestuurders stelden dat de gevolgen van de coronacrisis – en dus niet het niet publiceren van de jaarrekeningen – een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Duidelijk wordt echter dat een aan de coronacrisis en het faillissement voorafgaande herstructurering er feitelijk toe had geleid dat Dudok Groep geen inkomsten meer ontving uit haar eerdere horecazaken. Het hof kon op basis van de stellingen van het bestuur dus niet vaststellen dat het opdrogen van de inkomstenstroom vanwege de gevolgen van de coronacrisis daadwerkelijk een belangrijke oorzaak van het faillissement was. De ontzenuwing mislukt en het hof concludeert dat de bestuurders aansprakelijk zijn voor het boedeltekort (artikel 2:248 BW).
Matiging
Vervolgens stelt het hof dat op basis van de in de procedure ingebrachte stukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd, geconcludeerd moet worden dat er geen schuldeisers van Dudok Groep zijn benadeeld. Het hof ziet schuldeisersbenadeling als de feitelijke grondslag van de door de curator ingestelde vordering. In hoger beroep werd duidelijk dat de enige daadwerkelijk vaststaande schuld (aan de Belastingdienst) verhaalbaar was via hoofdelijke aansprakelijkheid binnen de fiscale eenheid waarvan Dudok Groep onderdeel uitmaakte.
Het hof vindt de aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW lastig te rijmen met de vaststelling dat geen sprake is van schuldeisersbenadeling en de geringe aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur. Bovendien had de curator, aldus het hof, na een gedegen onderzoek naar de vordering aanleiding moeten zien voor overleg met het bestuur om tot een oplossing te komen en een afweging moeten maken of een procedure passend was. Van een dergelijk serieus overleg is volgens het hof niet gebleken.
Het hof opent de weg naar matiging van het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn. De rechter heeft die mogelijkheid namelijk indien (i) de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, (ii) de andere oorzaken van het faillissement en (iii) de wijze waarop het faillissement door de curator is afgewikkeld daar aanleiding voor geven (artikel 2:248 lid 4 BW). Het hof ziet die aanleiding en matigt het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn tot nihil.
Belang voor de praktijk
De uitspraak brengt in herinnering dat het onweerlegbare vermoeden van onbehoorlijk bestuur geen garantie is voor een succesvol verhaal van het boedeltekort op de bestuurders van de failliete vennootschap. Voor curatoren onderstreept de uitspraak het belang van grondig onderzoek naar de schuldenposities in het faillissement en een zorgvuldige voorbereiding van een eventuele aansprakelijkheidsprocedure, inclusief een serieus gesprek met het bestuur. Voor bestuurders geldt dat het matigingsverweer niet uit het oog moet worden verloren en goed onderbouwd moet worden ingebracht. Uit het arrest lijkt te volgen dat pas gedurende de zitting, na vragen van het hof, echt duidelijk werd hoe de feitelijke en financiële situatie ervoor stond. Dit kleurde de aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling dusdanig dat die tezamen met het handelen van de curator tot de matiging heeft geleid.
Wordt u als bestuurder aangesproken door een curator? Of heeft u vragen over bestuurdersaansprakelijkheid? Neem gerust contact met ons op.