Aanscherping Tabaks- en rookwarenwet op komst: rookverbod ook voor speeltuinen, kinderboerderijen en kindercentra
Op 21 april 2026 is een internetconsultatietraject gestart voor het conceptvoorstel tot wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet in verband met de uitbreiding van het rookverbod naar terreinen van beheerde speeltuinen, kinderboerderijen en kindercentra. Het voorstel past in een breder pakket aan maatregelen dat erop is gericht in 2040 een rookvrije generatie te realiseren. Tot en met 19 mei 2026 kan eenieder op de consultatiedocumenten reageren.
Waarom nu?
In het Nationaal Preventieakkoord (NPA) waren al vrijwillige afspraken gemaakt inhoudende dat beheerde speeltuinen, kinderboerderijen en kindercentra rookvrij zouden zijn; respectievelijk in 2020 en 2025. De praktijk leert dat die doelstellingen echter niet gehaald zijn. Zo laat de Voortgangsrapportage van het RIVM over het jaar 2021 zien dat 81% van de kinderboerderijen geheel rookvrij is en de doelstelling daarmee niet gehaald is (Memorie van Toelichting, p. 5). Voor kindercentra ligt dat percentage weliswaar hoger (minstens 95% rookvrij), maar ook daar is de volledige rookvrije omgeving dus nog niet bereikt. Hieruit volgt dat de vrijwillige afspraken vanuit het NPA en stimulering via subsidies niet voldoende zijn geweest, waardoor de wetgever overheidsinterventie nu gerechtvaardigd acht.
Oorzaken lopen uiteen. Beheerders van deze terreinen vinden het lastig om bezoekers die roken aan te spreken zonder dat er sprake is van een wettelijk verbod, werken met vrijwilligers van wie ze dit niet willen vragen of zijn het niet eens met de afspraak. De gedachte is dat juist een wettelijke grondslag die drempel kan wegnemen.
Hoe zit het ook alweer met het huidige rookverbod?
Voor de gebouwen en inrichtingen van beheerde speeltuinen, kinderboerderijen en kindercentra geldt op grond van de Tabaks- en rookwarenwet reeds een rookverbod. Dit wetsvoorstel breidt dat verbod uit naar de bijbehorende buitenterreinen. Een vergelijkbare stap werd eerder al gezet voor scholen en onderwijsinstellingen, waarvoor sinds 1 augustus 2020 een wettelijk rookverbod op de terreinen geldt. Dit wetsvoorstel sluit daar systematisch bij aan.
Wat stelt het wetsvoorstel precies voor?
Het wetsvoorstel als zodanig introduceert het rookverbod nog niet direct, maar voorziet in mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) een rookverbod op de terreinen van beheerde speeltuinen, kinderboerderijen en kindercentra in te stellen, aan te duiden en te handhaven. Daartoe worden drie begripsbepalingen ingevoerd in artikel 1 van de Tabaks- en rookwarenwet (voorstel wetswijziging):
“beheerde speeltuin“: een voor publiek toegankelijke voorziening met speeltoestellen die in hoofdzaak dient als separate speelgelegenheid voor kinderen en waarvan het beheer bij een private organisatie berust;
“kinderboerderij“: een voor publiek toegankelijke voorziening met landbouwhuisdieren of gezelschapsdieren voor educatief of recreatief contact; en
“kindercentrum“: als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang.
Het voordeel van de AMvB-systematiek is dat, terwijl uit de wet reeds duidelijk volgt dat een rookverbod op de terreinen gesteld zal worden, meer flexibiliteit bestaat wanneer aanpassing van de regelgeving onverhoopt noodzakelijk blijkt.
Een belangrijk uitgangspunt is dat het rookverbod zoveel mogelijk zonder uitzonderingen geldt: rookzones op de terreinen worden niet toegestaan, omdat ‘zien roken doet roken’ en een rookzone het effect van het rookvrije terrein teniet zou doen. Grenst het terrein aan de openbare ruimte, dan reikt het verbod niet verder dan het door de beheerder beheerde deel. Het is aan de gemeente om eventueel regels te stellen over gedrag in de openbare ruimte.
Handhaving rookverbod: rol van de NVWA
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt toezicht op de Tabaks- en rookwarenwet en zal ook toezicht houden op de naleving van dit rookverbod door de beheerders. Bij overtreding is de NVWA bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen, waarvan de hoogte nog bij AMvB wordt bepaald. De primaire verantwoordelijkheid ligt echter bij de beheerders van de terreinen zelf: de verplichting houdt in dat het rookverbod actief ingesteld, aangeduid en gehandhaafd dient te worden en dat degene die zich er niet aan houdt, moet worden aangesproken (zie Memorie van Toelichting, p. 3).
Dat roept wel een praktisch aandachtspunt op. Het gaat om circa 18.800 locaties die verplicht worden hun buitenterreinen rookvrij te maken, terwijl de toezichtcapaciteit van de NVWA beperkt is en het aan haar is om te prioriteren op welke wijze zij haar toezicht inricht (zie Memorie van Toelichting, p. 3). De vraag is dan ook of de beschikbare handhavingscapaciteit in de praktijk voldoende zal zijn om het beoogde effect daadwerkelijk te realiseren.
Breed draagvlak, maar ook risico’s
Het draagvlak voor rookvrije omgevingen op plaatsen waar veel kinderen komen is in Nederland groot en stabiel hoog, namelijk rond de 90% voor beheerde speeltuinen, kinderboerderijen en kindercentra, maar toch heeft dat de vrijwillige naleving van de NPA-afspraken niet tot het gewenste niveau gebracht. Publiek draagvlak alléén, hoe groot ook, is niet voldoende voor effectieve naleving van beleidsdoelstellingen.
Een ander aandachtspunt is het risico op verplaatsingsgedrag. Doordat mensen niet meer op het terrein mogen roken, kunnen zij uitwijken naar de openbare ruimte direct naast het terrein. Dit effect is ook bij de schoolterreinen zichtbaar geweest.
Conclusie
Dit conceptwetsvoorstel zet een logische en breed gedragen stap in het pad naar een rookvrije generatie in 2040 door de buitenterreinen van beheerde speeltuinen, kinderboerderijen en kindercentra onder het rookverbod te brengen. De keuze voor een delegatiegrondslag met uitwerking via AMvB sluit aan bij de bestaande systematiek voor schoolterreinen en biedt de nodige flexibiliteit wanneer aanpassing van de regelgeving onverhoopt noodzakelijk blijkt.
Vanuit bestuursrechtelijk perspectief verdienen een aantal aspecten bijzondere aandacht. Ten eerste rusten de verplichtingen in dit stelsel primair op de beheerder van het terrein: hij is verantwoordelijk voor het instellen, aanduiden én handhaven van het rookverbod, inclusief het aanspreken van bezoekers die zich er niet aan houden. Dat is een actieve handhavingsplicht. Indien een beheerder zijn verplichtingen niet nakomt, is de NVWA bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen. Tegen een dergelijk handhavingsbesluit staan de reguliere bestuursrechtelijke rechtsmiddelen van bezwaar en beroep open, waarbij zowel de vraag óf sprake is van een overtreding als de proportionaliteit van de opgelegde sanctie aan de orde kan komen.
Ten tweede is de AMvB, die nog moet volgen, de sleutel: pas daarin worden de concrete verplichtingen, de hoogte van de bestuurlijke boetes en de reikwijdte van het toezicht bepaald. Dat is het moment waarop ook de juridische praktijk zich opnieuw zal moeten buigen over de vraag of de gemaakte keuzes proportioneel zijn uitgewerkt en uitvoerbaar zijn voor de bijna 19.000 locaties die straks met deze verplichtingen aan de slag moeten.
Al met al zorgt deze aanscherping van de Tabaks- en rookwarenwet voor een wettelijke verankering van een norm die in de praktijk al breed wordt gedragen, maar tot nu toe onvoldoende werd nageleefd. De gedachte achter het voorstel reikt daarbij verder dan het louter verbieden van roken op een afgebakend terrein: iedere jongere die ervan wordt weerhouden te gaan roken, is potentieel een verslaafde roker in de toekomst minder. Dat is een ambitie die zich moeilijk laat becijferen, maar des te makkelijker laat onderschrijven.