De aandeelhouder die zijn veto als pressiemiddel inzet, riskeert uitstoting
De aandeelhouder die zijn veto als pressiemiddel inzet, riskeert uitstoting
Een aandeelhouder die het belang van de vennootschap uit het oog verliest en zijn positie gebruikt om zijn eigen agenda door te drukken, loopt een serieus risico zijn aandelen kwijt te raken. Dat blijkt uit de beschikking van de Ondernemingskamer (OK) van 4 september 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:2514) waarin een verzoek tot uitstoting van een aandeelhouder werd toegewezen.
De uitstotingsprocedure biedt de mogelijkheid om een aandeelhouder te verplichten om zijn aandelen tegen een door de rechter vast te stellen redelijke prijs te verkopen aan de andere aandeelhouder(s) van de vennootschap. In een eerdere blog stonden wij stil bij een wetswijziging waarmee de uitstotingsprocedure sinds 1 januari 2025 is gewijzigd. Sindsdien kunnen bijvoorbeeld niet langer alleen gedragingen van een aandeelhouder in zijn hoedanigheid van aandeelhouder tot zijn uitstoting leiden. De nieuwe regeling van artikel 2:336a BW maakt ook gedragingen in een andere hoedanigheid relevant. Daarnaast voorziet de wetswijziging (onder meer) in een verzoekschriftprocedure bij de OK als enige feitelijke instantie, waartegen alleen cassatieberoep openstaat. Voorheen moest de uitstotingsprocedure bij dagvaarding worden ingeleid bij de rechtbank, met mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep en cassatie.
Door de wetswijziging heeft de uitstotingsprocedure aan populariteit gewonnen, en hebben gevoerde uitstotingsprocedures regelmatig ook daadwerkelijk tot uitstoting van dwarsliggende aandeelhouders geleid. De beschikking van de OK van 4 september 2026 is daar een recent en overzichtelijk voorbeeld van, en leent zich daarom voor een nadere beschouwing.
Van aandeelhoudersgeschil naar uitstoting
De zaak draait om een onderneming die onder meer twee online platforms exploiteert. Een van de (uiteindelijk drie) aandeelhouders – met een belang van 15% – was de oorspronkelijke ontwikkelaar van één van die platforms. Dat platform was al in 2017 aan de vennootschap verkocht. De aandeelhouder bleef daarna als bestuurder en vervolgens als werknemer (softwareontwikkelaar) bij de onderneming betrokken.
Jarenlang loopt dat goed. Tot de onderneming in 2025 een forse investeringsronde voorbereidt. Vijf investeerders zouden gezamenlijk € 1,5 miljoen investeren. Onderdeel van de beoogde transactie was verwatering van het belang van de betreffende aandeelhouder en een bredere herinrichting van de onderneming.
Op dat moment verandert de situatie. De aandeelhouder wil dat het platform dat hij ooit heeft ontwikkeld aan hem wordt overgedragen in ruil voor zijn aandelen. De andere aandeelhouders willen daar op dat moment niet aan meewerken. Mede omdat de afsplitsing van het platform de vennootschap minder interessant zou maken voor investeerders, willen zij eerst nieuwe investeringen aantrekken, en daarna over een eventuele splitsing spreken.
Dat valt niet goed bij de aandeelhouder; waarna hij (onder meer) aanzegt zijn arbeidsovereenkomst per de eerst mogelijke datum op te zeggen. Na zijn vertrek als werknemer was de aandeelhouder echter nog altijd de enige administrator van het door hem ontwikkelde platform. In die hoedanigheid, en zonder daarover te overleggen, wijzigde hij de toegangsrechten tot het platform en de achterliggende systemen. Mede als gevolg van deze verstoringen namen de investeerders op 5 september 2025 een stap terug. Hoewel een deel van de toegang kort daarna werd hersteld, volgde volledige toegang tot de server en database pas op 14 oktober 2025, na dreiging met een kort geding.
De investeerders haken uiteindelijk af.
Daarna loopt ook de besluitvorming binnen de vennootschap steeds verder vast. De aandeelhouder maakt gebruik van zijn vetorecht en stemt (onder meer) tegen de jaarrekening en het budget. De OK stelt vast dat er sprake is van een patroon: zodra de aandeelhouder het niet eens is met een besluit, worden de hakken in het zand gezet en wordt de besluitvorming gefrustreerd om alsnog het door hem gewenste resultaat te bereiken; namelijk dat het door hem ontwikkelde platform aan hem wordt overgedragen.
Het vervallen hoedanigheidsvereiste krijgt handen en voeten
Onder het oude recht kon een aandeelhouder in beginsel alleen worden uitgestoten wegens gedragingen in zijn hoedanigheid van aandeelhouder. Gedrag in hoedanigheid van bestuurder, werknemer of concurrent bleef daarmee buiten beeld, ook als dat gedrag de onderneming ernstig schaadde.
De wet spreekt inmiddels over gedragingen “al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder”. Die gedragingen moeten wel kunnen bijdragen aan het oordeel dat de aandeelhouder de vennootschap zodanig schaadt dat zijn aandeelhouderschap niet langer kan worden geduld. In deze zaak woog de OK de voornoemde handelingen van de aandeelhouder in hoedanigheid van administrator uitdrukkelijk mee in zijn oordeel.
Het handelen van de aandeelhouder in hoedanigheid van aandeelhouder legde in deze zaak echter het meeste gewicht in de schaal.
Het contractuele vetorecht als pressiemiddel
De aandeelhoudersovereenkomst bevatte vergaande unanimiteitsvereisten. De betreffende aandeelhouder kon daardoor belangrijke besluiten blokkeren. Een dergelijk vetorecht is op zichzelf natuurlijk niet problematisch. Een aandeelhouder mag tegen een voorstel stemmen en mag zijn eigen belangen behartigen.
De aandeelhouder zette zijn vetorecht echter zo in, dat hij daarmee het vennootschappelijk belang ondergeschikt maakte aan zijn persoonlijke belang. Door besluitvorming te blokkeren, zette hij druk op de andere aandeelhouders om het door hem ontwikkelde platform aan hem over te dragen. Daarmee maakte de aandeelhouder naar oordeel van de OK op oneigenlijke wijze gebruik van zijn vetorecht, met als gevolg dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet langer kon worden geduld.
Het belang van de vennootschap staat voorop
Voor een geslaagd uitstotingsverzoek zijn op grond van artikel 2:336a BW drie elementen van belang, die in samenhang moeten worden beoordeeld:
(1) het gedrag van de aandeelhouder (het gedragscriterium);
(2) de daardoor veroorzaakte schade aan de vennootschap of haar onderneming (het schadecriterium); en
(3) de vraag of voortzetting van het aandeelhouderschap redelijkerwijs nog kan worden geduld (het redelijkheidscriterium).
Toepassing van het redelijkheidscriterium vergt dat een belangenafweging worden gemaakt tussen het belang van de vennootschap bij beëindiging van het aandeelhouderschap en het belang van de aandeelhouder bij behoud daarvan.
In deze zaak valt die belangenafweging uit in het nadeel van de aandeelhouder. De investeringsronde was stukgelopen en de verdere ontwikkeling van de onderneming kwam in gevaar. Tegelijkertijd zag de OK weinig perspectief op een werkbare samenwerking. Het eerdere gedrag gaf volgens de OK bovendien aanleiding voor een reëel risico dat de aandeelhouder ook in de toekomst besluitvorming zou blokkeren. De OK wijst het verzoek tot uitstoting van de aandeelhouder daarom toe.
De boodschap voor aandeelhouders
Een vetorecht is bedoeld om invloed uit te oefenen, niet om de vennootschap te gijzelen. Een aandeelhouder mag zijn eigen belangen behartigen, maar zal daarbij het vennootschappelijk belang niet geheel uit het oog mogen verliezen. De drempel voor uitstoting blijft hoog – daarvoor is immers vereist dat het voortduren van het aandeelhouderschap in redelijkheid niet langer kan worden geduld. Wie zijn aandeelhouderschap echter gebruikt als pressiemiddel en daarmee de onderneming daadwerkelijk in de problemen brengt, kan daarmee onbedoeld zijn eigen uitstoting in de hand werken.
Heeft u te maken met een aandeelhoudersconflict of dreigt de samenwerking binnen uw vennootschap vast te lopen? Onze ondernemingsrechtadvocaten adviseren en procederen regelmatig over aandeelhoudersgeschillen en zijn u graag van dienst.