icon

Verjaring ontbindingsvordering: schriftelijke aanmaning alleen is onvoldoende

De Hoge Raad heeft recent geoordeeld dat op de stuiting van de verjaring van een vordering tot ontbinding van een overeenkomst artikel 3:317 lid 2 BW van toepassing is (ECLI:NL:HR:2025:1685). Na een schriftelijke aanmaning moet daarom binnen zes maanden een daad van rechtsvervolging volgen als bedoeld in artikel 3:316 BW, zoals het uitbrengen van een dagvaarding. Aan een nieuwe schriftelijke aanmaning komt geen stuitende werking (meer) toe. Dit is niet anders als de ontbindingsvordering gecombineerd wordt met een vordering tot schadevergoeding, waarvoor het lichtere stuitingsregime van artikel 3:317 lid 1 BW geldt en een (herhaalde) schriftelijke aanmaning alleen wel voldoende is.

In deze blog lichten wij de verschillende stuitingsregimes toe en bespreken wij hoe de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak op dit punt verduidelijkt.

Verjaring en stuiting: welk regime geldt voor de ontbindingsvordering?

Een rechtsvordering tot ontbinding van een overeenkomst verjaart op grond van artikel 3:311 lid 1 BW vijf jaar na de dag volgend op de dag waarop de schuldeiser bekend is geworden met de tekortkoming waarop hij de ontbinding baseert. Tegelijkertijd vervalt op dat moment ook de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding op grond van artikel 6:268 BW.

De wet kent voor de stuiting van de verjaring drie mogelijkheden: een daad van rechtsvervolging (artikel 3:316 BW), een schriftelijke aanmaning (artikel 3:317 BW) en een erkenning van het recht door de wederpartij (artikel 3:318 BW).

Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Dit kan gaan om nakoming van een verbintenis uit hoofde van een overeenkomst, zoals een contractuele betalingsverplichting, maar bijvoorbeeld ook een verbintenis tot betaling van schadevergoeding. Vanaf de stuitingshandeling gaat een nieuwe verjaringstermijn lopen, die later opnieuw met dezelfde handeling kan worden gestuit.

Voor andere rechtsvorderingen, waaronder de ontbindingsvordering, geldt het strengere regime van artikel 3:317 lid 2 BW: een schriftelijke aanmaning heeft alleen stuitende werking als zij binnen zes maanden wordt gevolgd door een daad van rechtsvervolging als bedoeld in artikel 3:316 BW.

De zaak: aansprakelijkheidsstelling eigen advocaat en verjaring ontbindingsvordering

In deze zaak heeft Carigna Investments N.V. (“Carigna“) een pand verkocht, terwijl een andere partij dan de koper daarop een voorkeursrecht van koop had. Deze andere partij betrekt Carigna in rechte en Carigna wordt uiteindelijk in een schadestaatprocedure veroordeeld tot betaling van ruim € 3,8 miljoen. Carigna houdt haar eigen advocaat en diens advocatenkantoor (hierna kortweg: “de advocaat“) verantwoordelijk voor deze uitkomst, omdat bepaalde verweren niet op tijd in de procedure naar voren zouden zijn gebracht.

Bij brief van 14 maart 2013 stelt Carigna de advocaat in algemene bewoordingen aansprakelijk voor de door haar geleden schade en behoudt zij zich alle rechten en weren voor. Bijna vijf jaar later, op 8 maart 2018, stuurt Carigna een tweede brief waarin zij het recht voorbehoudt op nakoming van de verplichting tot betaling van schadevergoeding en terugbetaling van de kosten van juridische bijstand door de advocaat. Pas op 26 mei 2020 dagvaardt Carigna de advocaat.

Bij de rechtbank en het hof vordert Carigna schadevergoeding. Deze vordering wordt in beide instanties afgewezen. Bij het hof vordert Carigna daarnaast ontbinding van de overeenkomst van opdracht met de advocaat en terugbetaling van de bedragen die zij uit hoofde van die overeenkomst aan de advocaat heeft betaald voor de verleende juridische bijstand. Het hof wijst de ontbindingsvordering af wegens verjaring. Daarbij gaat het hof ervan uit dat Carigna in elk geval ten tijde van haar eerste brief van 14 maart 2013 bekend was met de tekortkoming waarop zij de ontbinding baseert. Geen van de brieven hoeft redelijkerwijs zo te worden begrepen dat Carigna zich daarin het recht op ontbinding voorbehoudt. Nu een tijdige stuitingshandeling ontbreekt, is de vordering verjaard. Carigna heeft volgens het hof onvoldoende gesteld om de vordering tot terugbetaling van de kosten van de juridische bijstand op andere rechtsgronden te kunnen toewijzen.

Hoge Raad: artikel 3:317 lid 2 BW blijft van toepassing op ontbindingsvordering

In cassatie klaagt Carigna dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de advocaat haar brieven redelijkerwijs niet zo behoefde te begrijpen dat Carigna zich daarin het recht op ontbinding voorbehield. Daarnaast betoogt Carigna dat de combinatie van een ontbindingsvordering met een vordering tot nakoming van een verbintenis (in dit geval: schadevergoeding) ertoe leidt dat voor beide vorderingen het lichtere stuitingsregime van artikel 3:317 lid 1 BW geldt. Volgens Carigna zou dit volgen uit het arrest Van Dam en Post/Kringkoop (ECLI:NL:HR:2002:AD4919). Carigna zou de verjaring van haar ontbindingsvordering daarom tijdig hebben gestuit, nu de advocaat de tweede brief van Carigna minder dan vijf jaar na haar eerste brief heeft ontvangen.

De Hoge Raad oordeelt dat de lezing van Carigna onjuist is. Het arrest Van Dam en Post/Kringkoop houdt slechts in dat de verjaring van rechtsvorderingen tot terugbetaling en schadevergoeding wordt beheerst door art. 3:317 lid 1 BW, ook als zulke rechtsvorderingen worden gecombineerd met een rechtsvordering tot ontbinding. Dat oordeel zegt echter niets over de ontbindingsvordering zelf, waarop artikel 3:317 lid 2 BW van toepassing blijft.

De Hoge Raad erkent dat uit de parlementaire geschiedenis niet blijkt dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat het onderscheid in stuitingsregimes in de praktijk tot lastig te verklaren resultaten kan leiden. Zo kan een schuldeiser na een buitengerechtelijke ontbinding een daaruit volgende vordering tot nakoming van een ongedaanmakingsverbintenis op de voet van artikel 3:317 lid 1 BW met schriftelijke aanmaningen (blijven) stuiten. Dit terwijl stuiting van de ontbindingsvordering in rechte op de voet van artikel 3:317 lid 2 BW vereist dat een schriftelijke aanmaning binnen zes maanden door een daad van rechtsvervolging wordt gevolgd. Dergelijke lastig te verklaren resultaten acht de Hoge Raad echter onvoldoende om de ontbindingsvordering, in weerwil van de ondubbelzinnige tekst van artikel 3:317 BW, onder het stuitingsregime van artikel 3:317 lid 1 BW te brengen. Nu Carigna niet aan de vereisten van artikel 3:317 lid 2 BW heeft voldaan, kan zij geen succesvol beroep doen op stuiting van de verjaring van haar ontbindingsvordering. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Heeft u vragen?

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Verjaring ontbindingsvordering: schriftelijke aanmaning alleen is onvoldoende