icon

Proces-verbaal schikking is niet altijd executoriale titel

De Hoge Raad heeft recent geoordeeld dat een proces-verbaal van een ter zitting bereikte schikking tussen (proces)partijen niet per definitie een executoriale titel oplevert (ECLI:NL:HR:2025:1807). In deze blog lichten wij toe wanneer sprake is van een executoriale titel, hoe de Hoge Raad de vereisten voor het proces-verbaal van een schikking invult en welke aanbevelingen dat voor de praktijk oplevert.

Wanneer is sprake van een executoriale titel?

Een executoriale titel geeft een schuldeiser de bevoegdheid om zonder verdere rechterlijke tussenkomst de daarin vermelde aanspraak met dwangmiddelen ten uitvoer te leggen op het vermogen van zijn schuldenaar, bijvoorbeeld door een executoriaal beslag, zo nodig met hulp van de sterke arm.

Gezien deze vergaande bevoegdheid, zijn de stukken die een executoriale titel opleveren beperkt. Uit artikel 430 Rv volgt dat het gaat om: (i) rechterlijke uitspraken, (ii) (andere) authentieke akten, en (iii) andere bij de wet aangewezen stukken.

Een authentieke akte is een akte die in de vereiste vorm is opgemaakt door een ambtenaar aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen om op die wijze te doen blijken van zijn waarnemingen of verrichtingen (artikel 156 lid 2 Rv). Onder deze ruime definitie vallen onder meer rechterlijke uitspraken, bevelschriften, dwangbevelen, kennisgevingen, mededelingen, processen-verbaal en notariële akten.

Voor schuldeisers zijn de laatste twee categorieën vaak van belang. Een ‘gewone’ overeenkomst, bijvoorbeeld een geldlening, levert geen executoriale titel op. Betaalt de ene partij niet conform overeenkomst, dan moet de andere partij uiteindelijk naar de rechter om zijn geldvordering voldaan te krijgen. Zijn de betaalafspraken daarentegen vastgelegd in een notariële akte, of in een proces-verbaal, dan kan de schuldeiser direct tot executie overgaan. Dat bespaart een (nieuwe) gang naar de rechter.

De Hoge Raad heeft recent verduidelijkt dat een proces-verbaal van een schikking echter niet altijd een executoriale titel oplevert, en niet steeds dezelfde executoriale kracht heeft als een rechterlijk vonnis. Voor procespartijen is het van belang met dit verschil rekening te houden.

Casus

Partijen hebben in een procedure bij de rechtbank een schikking getroffen, vastgelegd in een proces-verbaal. Daarin is onder meer een geheimhoudingsbeding opgenomen, op straffe van een boete van € 100.000 per overtreding.

De ene partij (hierna: schuldeiser) meent vervolgens dat de andere partij (hierna: schuldenaar) het geheimhoudingsbeding twee keer heeft overtreden en dus boetes van in totaal € 200.000 heeft verbeurd. De schuldeiser legt voor deze boetes executoriaal beslag op aandelen van de schuldenaar.

De executie van aandelen kent een speciale procedure. De schuldeiser moet daarvoor de rechter verzoeken te bepalen dát en binnen welke termijn tot verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen kan worden overgegaan (artikel 474g Rv).

De schuldeiser dient dit verzoek in bij de rechtbank. De rechtbank wijst het verzoek echter af. In hoger beroep bekrachtigt het hof die beschikking.

Oordeel hof

Het hof overweegt – kort samengevat – het volgende. Als op een zitting een schikking is bereikt, kan de grosse van het proces-verbaal van die schikking in Nederland ten uitvoer worden gelegd (artikel 89 lid 1 Rv jo. artikel 430 Rv). Voor de vraag of een proces-verbaal van schikking voor een vordering een executoriale titel oplevert, sluit het hof aan bij vaste rechtspraak over de executoriale kracht van authentieke akten. Op grond daarvan komt aan een authentieke akte slechts executoriale kracht toe voor vorderingen die in de akte met voldoende bepaaldheid zijn omschreven.

Volgens het hof is het verschuldigde bedrag hier niet voldoende bepaalbaar. De hoogte van de boete per overtreding is duidelijk, maar in het proces-verbaal is niet geregeld op welke bindende wijze zal worden vastgesteld of het geheimhoudingsbeding is overtreden. Het bedrag aan verbeurde boetes is daardoor niet objectief bepaalbaar. Het proces-verbaal kan daarom geen executoriale titel opleveren voor de inning van de volgens schuldeiser verschuldigde boetes. De schuldeiser krijgt geen toestemming voor de verkoop van de aandelen.

Oordeel Hoge Raad

In cassatie voert de schuldeiser aan dat een proces-verbaal van een schikking ter zitting op grond van de wet (artikel 89 Rv) in executoriale vorm wordt uitgegeven. Daarom zou hij bij (bewijs van) overtreding van de schikking door de schuldenaar per definitie beschikken over een executoriale titel voor de daardoor verbeurde boete. De schuldeiser trekt een parallel tussen de boete in het proces-verbaal en een dwangsom in een rechterlijk vonnis: in beide gevallen moet de schuldenaar bij bepaald gedrag een geldsom betalen die de schuldeiser direct kan incasseren, zonder opnieuw naar de rechter te hoeven.

De Hoge Raad volgt dit betoog niet. De Hoge Raad oordeelt in lijn met het hof dat de maatstaf voor de executoriale kracht van authentieke akten geldt. Een executoriale titel geeft een schuldeiser de bevoegdheid om zonder verdere rechterlijke tussenkomst de daarin vermelde aanspraak met dwangmiddelen ten uitvoer te leggen op het vermogen van zijn schuldenaar. Gelet op het verstrekkende en ingrijpende karakter van deze bevoegdheid, wordt het bestaan van een executoriale titel buiten een rechterlijke uitspraak alleen aanvaard als de vordering met voldoende bepaaldheid in het stuk is omschreven.

Volgens de Hoge Raad is een vordering niet voldoende bepaald omschreven als het ontstaan ervan afhankelijk is van bij de opstelling van het stuk onzekere, toekomstige gebeurtenissen, zoals overtreding van een geheimhoudingsbeding waaraan een contractuele boete is verbonden. Voor die vordering is het stuk dan geen executoriale titel.

De bepleite gelijkstelling van de boete in het proces-verbaal en een dwangsom in een rechterlijk vonnis gaat ook niet op. Voor de dwangsom bepaalt artikel 611c Rv dat de partij die de veroordeling heeft gekregen, de dwangsom ten uitvoer kan leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. Voor de boete ontbreekt een vergelijkbare wettelijke bepaling.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Aanbevelingen voor de praktijk

Het arrest van de Hoge Raad maakt duidelijk dat voor wat betreft de executoriale kracht een proces-verbaal niet gelijkstaat aan een vonnis, en een bij authentieke akte overeengekomen boete niet gelijkstaat aan een dwangsom.

Partijen die een overeenkomst vanwege de executoriale titel bij notariële akte willen vastleggen, doen er goed aan stil te staan bij de bepaaldheid van hun vordering. De executie van een eenvoudige geldvordering vormt geen probleem (partij A betaalt partij B uiterlijk bedrag X op datum Y). Staat de omvang van de vordering echter niet vast, of is de vordering afhankelijk van gedragingen van de ander, dan moet in de akte worden vastgelegd op welke voor de schuldenaar bindende wijze het bestaan en de omvang van de vordering kan worden vastgesteld.

Voor partijen die ter zitting overwegen te schikken geldt hetzelfde. Een partij die een veroordeling vordert versterkt door een dwangsom, doet er goed aan stil te staan bij het verschil als die vordering versterkt door een boete in een proces-verbaal van schikking wordt gegoten. Als de vordering niet voldoende bepaald is, is dat geen gelijkwaardig alternatief.

Heeft u vragen?

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Proces-verbaal schikking is niet altijd executoriale titel
Praktijkgebieden blogs
Auteurfilter blog