icon

Hoge Raad oordeelt: begroting schade Stefan de Vrij moet opnieuw

De Hoge Raad heeft op 26 september 2025 een arrest gewezen in het geschil tussen profvoetballer Stefan de Vrij en bemiddelaar Sports Entertainment Group (“SEG“) over zijn transfer naar Internazionale (ECLI:NL:HR:2025:1388).

SEG trad eerder op voor De Vrij bij onderhandelingen met Feyenoord en Lazio Roma. Bij de overstap naar Internazionale in 2018 handelde SEG ook als intermediair voor de club, zonder de voetballer te informeren over haar precieze eigen belang: een commissie van € 7,5 miljoen, plus een mogelijke bonus van € 2 miljoen en een percentage van de transfersom bij een volgende transfer. De Vrij stelt dat SEG hiermee haar zorgplicht als opdrachtnemer en wettelijke regels over belangenconflicten heeft geschonden. De Vrij zou daardoor recht hebben op schadevergoeding en SEG zou geen recht hebben op loon voor de bemiddeling.

Zowel de rechtbank als het hof Amsterdam heeft de voetballer in het gelijk gesteld. De rechtbank veroordeelde SEG tot betaling van een schadevergoeding van € 4.750.000. Het hof wees zelfs een schadevergoeding van € 5.223.636,36 bruto toe. De Hoge Raad vernietigt in zijn recente arrest echter de uitspraak van het hof: de schadebegroting moet opnieuw worden gedaan, ditmaal door het hof Den Haag, waarbij in ieder geval geen ruimte meer bestaat voor toewijzing van een hogere schadevergoeding dan € 4.750.000 in hoofdsom.

In deze blog lichten wij toe op welke gronden de Hoge Raad tot dit oordeel is gekomen, en hoe de procedure nu verdergaat. Daarbij komen enkele klassieke procesrechtelijke aspecten en fouten aan bod.

Juridisch kader

Tussen De Vrij en SEG bestond een bemiddelingsovereenkomst. Dit is een specifieke vorm van een overeenkomst van opdracht waarbij de opdrachtnemer (bemiddelaar) zich tegenover de opdrachtgever verbindt tegen loon te werken aan de totstandkoming van een of meer overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden (artikelen 7:425-427 BW).

SEG had vanwege het bestaan van de bemiddelingsovereenkomst een zorgplicht: bij zijn werkzaamheden was SEG tegenover opdrachtgever De Vrij gehouden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (artikel 7:401 BW). Daarnaast waren daarom drie wetsartikelen over belangenconflicten van toepassing (via de schakelbepaling van artikel 7:427 BW).

Artikel 7:416 BW heeft betrekking op de “Selbsteintritt”: het geval dat de bemiddelaar zelf als wederpartij van de opdrachtgever optreedt.

Artikel 7:417 lid 1 BW ziet op het “dienen van twee heren”: een bemiddelaar mag alleen óók als bemiddelaar van de wederpartij optreden, als de inhoud van de overeenkomst zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de belangen van beide opdrachtgevers is uitgesloten.

Artikel 7:418 lid 1 BW vormt het sluitstuk. Heeft, buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 7:416 en 7:417 BW, een bemiddelaar direct of indirect belang bij de totstandkoming van de overeenkomst, dan is hij verplicht zijn opdrachtgever daarvan in kennis te stellen, tenzij de inhoud van de overeenkomst zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider belangen is uitgesloten.

Het overtreden van artikel 7:417 lid 1 en artikel 7:418 lid 1 BW valt aan te merken als wanprestatie. Allebei heeft dit tot gevolg dat het recht op loon van de bemiddelaar vervalt en dat de bemiddelaar ook gehouden is tot vergoeding van de daardoor geleden schade, zo volgt uit het tweede lid van deze artikelen.

Oordeel rechtbank en hof

De rechtbank komt tot het oordeel dat SEG artikel 7:417 lid 1 BW – het dienen van twee heren – niet heeft overtreden. Volgens de rechtbank kan niet worden geconcludeerd dat SEG bij haar optreden in de onderhandelingen te veel het belang van Internazionale heeft behartigd en De Vrij daardoor schade heeft geleden.

De rechtbank oordeelt dat SEG wel artikel 7:418 lid 1 BW heeft geschonden, omdat SEG een eigen belang had bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst tussen De Vrij en Internazionale, en SEG haar mededelingsplicht aan De Vrij over (de inhoud van) dit eigen belang heeft geschonden. SEG heeft daarom geen recht op loon en is schadeplichtig.

De rechtbank overweegt dat de commissie van SEG in dit geval veel hoger lag dan in alle voorgaande bemiddelingen voor De Vrij, en dat aannemelijk is dat de financiële verhouding tussen De Vrij, Internazionale en SEG anders was geweest als hij tijdens de onderhandelingen had geweten van deze commissie. De rechtbank schat de schade van De Vrij op 50 % van wat SEG in totaal voor de deal heeft ontvangen (€ 9,50 miljoen) en veroordeelt SEG daarom tot betaling van een bedrag van € 4,75 miljoen aan De Vrij.

SEG en De Vrij gaan allebei in hoger beroep. SEG stelt uiteenlopende grieven in tegen het vonnis van de rechtbank. Het gerechtshof Amsterdam volgt echter in de kern het oordeel van de rechtbank: SEG heeft haar mededelingsplicht over haar eigen belang geschonden, en is zodoende schadeplichtig, terwijl zij geen aanspraak heeft op loon.

Vanwege grieven van SEG tegen de schadebegroting van de rechtbank, berekent het hof daarnaast zelf de schade die De Vrij zou hebben geleden. Het hof acht het aannemelijk dat De Vrij in onderhandelingen met SEG akkoord zou zijn gegaan met een commissie van 10% van zijn totale salaris. Ervan uitgaande dat Internazionale hetzelfde totaalbedrag van € 47.040.000 had willen besteden aan het salaris van De Vrij (100%) en de commissie van SEG (10%), komt de commissie van SEG neer op het 10/110e deel van dit bedrag: een bedrag van € 4.276.363,64. Het hof begroot de schade van De Vrij op de hogere beloning die hij had kunnen bedingen als SEG dit bedrag als commissie had ontvangen, in plaats van de € 9,50 miljoen die zij nu heeft ontvangen. Het hof wijst daarom een schadevergoeding van € 5.223.636,36 bruto toe.

Oordeel Hoge Raad

SEG en De Vrij stellen allebei cassatie in. Ditmaal heeft SEG succes: de Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof. Uit zijn oordeel vallen drie lessen te trekken.

1. De mededelingsplicht van een bemiddelaar geldt onverkort

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en het hof over de mededelingsplicht.

SEG betoogt in cassatie dat de reikwijdte van de mededelingsplicht mede afhankelijk is van de kennis waarover de opdrachtgever beschikt en de kennis waaraan hij, naar de bemiddelaar redelijkerwijs mag verwachten, behoefte heeft. De Vrij had volgens SEG een onderzoeksplicht. SEG wijst in dit kader op de volgende omstandigheden: (i) De Vrij zou zich bewust zijn van het feit dat SEG een substantieel financieel belang had bij de totstandkoming van de overeenkomst, (ii) De Vrij zou op de hoogte zijn van onderdelen van de vergoeding van SEG en daarover met haar afspraken hebben gemaakt, (iii) De Vrij zou niet hebben gevraagd naar de hoogte van de vergoeding van SEG, en (iv) De Vrij zou geen loon hebben betaald aan SEG.

De Hoge Raad wijst dit betoog van de hand, omdat het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Ook in de omstandigheden die SEG noemt, geldt de mededelingsplicht onverminderd en ligt het niet op de weg van de opdrachtgever om te onderzoeken welk eigen belang de bemiddelaar heeft bij de totstandkoming van de overeenkomst. De mededelingsplicht van de bemiddelaar dient de opdrachtgever te beschermen tegen mogelijke belangenverstrengeling. Een onderzoeksplicht voor de opdrachtgever zou aan die bescherming afbreuk doen.

Kortom: ongeacht de mogelijke wetenschap van een opdrachtgever, zal je als bemiddelaar naar een opdrachtgever toe altijd transparant moeten zijn over (de inhoud van) een eigen belang.

2. De rechter kan niet om een passend bewijsaanbod heen

Een volgende klacht van SEG slaagt wel. Het hof heeft de schade van De Vrij begroot door een vergelijking te maken tussen de financiële situatie waarin hij zich na de tekortkoming van SEG bevindt en de hypothetische financiële situatie waarin hij zich zou hebben bevonden als SEG wel zou hebben voldaan aan haar mededelingsplicht. Het hof achtte de kans groot dat De Vrij in dat laatste geval ruim vijf miljoen euro meer als beloning bij Internazionale had kunnen bedingen.

SEG klaagt dat het hof bij dit oordeel geen kenbare aandacht heeft besteed aan haar stelling dat de technisch directeur van Internazionale tegenover SEG heeft verklaard dat Internazionale niet méér kon en wilde betalen. Ook zou het hof ten onrechte voorbij zijn gegaan aan het aanbod van SEG om hem hierover als getuige te horen. De Hoge Raad oordeelt dat deze klacht slaagt. Het hof kon, bij het bepalen van het hypothetische scenario, niet zonder motivering voorbijgaan aan de stellingen van SEG en aan haar aanbod die stellingen te bewijzen door het horen van de technisch directeur.

Dit oordeel benadrukt de meerwaarde van een voldoende specifiek en relevant bewijsaanbod. Doe je als procespartij een bewijsaanbod aan de rechter voor betwiste stellingen die tot een beslissing van (een onderdeel van) de zaak kunnen leiden, dan is de rechter in beginsel verplicht je toe te laten tot het getuigenbewijs van die stellingen.

3. Richt incidentele grieven tegen alle onderdelen van het vonnis die voor verbetering vatbaar zijn

Tot slot klaagt SEG met succes dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep heeft miskend.

SEG had in haar principale hoger beroep een grief gericht tegen de schadebegroting door de rechtbank. Volgens SEG had De Vrij in zijn incidentele hoger beroep daarentegen geen grief gericht tegen de schadebegroting door de rechtbank. In haar optiek had het hof daarom niet een hoger bedrag aan schadevergoeding kunnen toekennen dan de rechtbank.

De Hoge Raad oordeelt dat deze klacht slaagt. Het partijdebat laat geen andere conclusie toe dan dat De Vrij geen (incidentele) grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de schade moet worden begroot op € 4.750.000. Het hof heeft de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep overschreden door SEG desondanks te veroordelen tot betaling van een hogere schadevergoeding dan het door de rechtbank toegewezen bedrag. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het hof Den Haag. De Hoge Raad overweegt daarbij dat ook na verwijzing geen ruimte meer bestaat voor toewijzing van een hogere schadevergoeding dan € 4.750.000 in hoofdsom.

Of een hogere schadevergoeding op zijn plaats zou zijn, doet er hiervoor niet toe. Het oordeel van de Hoge Raad toont hiermee een harde procesrechtelijke les: gaat de wederpartij in hoger beroep, en ben je zelf door de rechtbank niet volledig in het gelijk gesteld, dan is het in de regel verstandig om incidenteel hoger beroep in te stellen en grieven te richten tegen alle materiële onderdelen waarop het vonnis (nog) beter had kunnen uitvallen. Dat je overall wellicht tevreden was met het vonnis in eerste aanleg, of zonder het hoger beroep van de wederpartij niet in hoger beroep zou zijn gegaan, moet daarbij geen rol spelen. Anders heb je in hoger beroep alleen nog maar wat te verliezen.

Heeft u vragen?

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Hoge Raad oordeelt: begroting schade Stefan de Vrij moet opnieuw

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief