Bankrekening opgezegd of geweigerd? Zo werkt het in een notendop
Ondernemers kunnen bijna niet zonder bankrekening. De Hoge Raad heeft dat helder geformuleerd: “vrijwel onmogelijk om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren” zonder betaalrekening (HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652, r.o. 3.6). Dat geldt helemaal voor sectoren die sinds 1 januari 2026 gebonden zijn aan het verbod op het aannemen van contante betalingen van € 3.000 of meer (art. 1f Wwft).
Als een bank een rekening opzegt of een klant weigert, heeft dat dan ook verstrekkende gevolgen. Een bank mag daarom niet zonder reden een klant weigeren of een rekening opzeggen. Gebeurt dit toch, dan kan de ondernemer met succes daartegen optreden, zo blijkt uit recente rechtspraak.
Waarom zeggen banken rekeningen op?
Banken zijn op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) verplicht om cliëntenonderzoek te verrichten (art. 3 Wwft). Dat onderzoek moet de bank in staat stellen de cliënt te identificeren, de uiteindelijk belanghebbende te achterhalen, het doel van de relatie vast te stellen en een voortdurende controle uit te oefenen op het transactieverkeer. Kan een bank dit onderzoek niet voltooien, dan is zij op grond van art. 5 lid 3 Wwft gehouden de zakelijke relatie te beëindigen. De Wwft vormt de Nederlandse implementatie van de Europese Vierde Antiwitwasrichtlijn (Richtlijn (EU) 2015/849).
Deze verplichtingen leveren banken veel werk op: zij moeten al hun klanten actief controleren en hun informatie actueel houden. Als zij zich hier niet aan houden, kan dat leiden tot aanzienlijke boetes. Denk aan de boete die op 6 juli 2026 aan ABN AMRO is opgelegd. Mede onder druk van dit handhavingsklimaat gaan banken soms te rigoureus te werk en worden rekeningen opgezegd of geweigerd zonder dat daarvoor voldoende grondslag bestaat.
Bescherming
De rechtspositie bij opzegging of weigering van een bankrekening verschilt afhankelijk van de hoedanigheid van de klant, maar de kern is dezelfde: de bank heeft een bijzondere zorgplicht die voortvloeit uit haar maatschappelijke positie.
Particulieren
Particulieren worden beschermd door de bancaire zorgplicht én door het wettelijk recht op een basisbetaalrekening (art. 4:71f Wft). Een bank kan de overeenkomst met een particulier niet zonder meer opzeggen. De rechtsgeldigheid van een opzegging wordt beoordeeld aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW: de opzegging is niet rechtsgeldig indien zij, gelet op alle omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929, ING/De Keijzer).
Vaste rechtspraak vereist dat de bank bij opzegging een zorgvuldige belangenafweging maakt. De gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn voor het eerst geformuleerd door het Gerechtshof Arnhem (18 februari 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF5233, Rabobank/Aarding) en omvatten onder meer: de duur van de relatie, het gedrag en de betrouwbaarheid van de klant, de ernst van de door de bank gestelde bezwaren, de gevolgen van de opzegging voor de klant, de wijze van besluitvorming door de bank, en of de bank de klant tevoren heeft gewaarschuwd. De bank moet haar besluit bovendien deugdelijk motiveren en een redelijke opzegtermijn in acht nemen. De Hoge Raad heeft dit kader later aangevuld met het algemene regime voor opzegging van duurovereenkomsten: de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is bij een voldoende zwaarwegende grond, dat een bepaalde opzegtermijn moet worden gehanteerd, of dat een schadevergoeding moet worden aangeboden (HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134).
Ondernemers
Ondernemers worden eveneens beschermd tegen onterechte opzegging of weigering. De Hoge Raad heeft expliciet geoordeeld dat op banken op grond van hun maatschappelijke positie ook ten aanzien van niet-consumenten de verplichting kan rusten een betaalrekening aan te bieden (HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652, Yin Yang). Een wettelijk recht op een zakelijke rekening zoals art. 4:71f Wft dat voor consumenten biedt, bestaat echter niet (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1989). Bij ondernemers heeft de bank daardoor meer ruimte om een eigen risico-afweging te maken, en wordt het gewicht van het belang van de ondernemer bij de rekening in de rechtspraak anders ingeschat dan bij een particulier.
Dat neemt niet weg dat de er alsnog streng wordt getoetst. Uit de jurisprudentie van de afgelopen jaren komen vijf situaties naar voren waarin de ondernemer met succes opkomt tegen de bank:
- Onzorgvuldig klantonderzoek;
- Categoriale opzegging;
- Algemeenheid zonder concrete aanwijzingen;
- Meewerkende klant; en
- Dreigende uitsluiting.
Ondernemers met internationale geldstromen, activiteiten in als risicovol aangemerkte sectoren, of een complexe juridische structuur worden bovendien sneller geconfronteerd met verscherpt cliëntenonderzoek door de bank, wat kan leiden tot een onterechte beëindiging. Juist in die gevallen is het van belang te weten dat de bank niet alleen het recht heeft om vragen te stellen, maar ook de plicht om zorgvuldig te handelen en de ondernemer een reële kans te bieden de zorgen weg te nemen.
Wat kunt u doen?
Krijgt u te maken met een opzegging of weigering van uw rekening? Dan kunt u daartegen in bezwaar gaan door de bank aan te schrijven. Mocht het bezwaar niet leiden tot resultaat, dan staat voor particulieren de weg naar het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) open, dat in bepaalde gevallen een bindend advies kan geven.
Voor ondernemers is het Kifid niet altijd beschikbaar en zal de weg naar de rechter gevolgd moeten worden. Bij spoedeisende gevallen kan dit via een kort geding. De recente rechtspraak laat zien dat rechters in kort geding banken daadwerkelijk veroordelen om de rekening open te houden of zelfs een nieuwe relatie aan te gaan.
Heeft u een geschil met de bank ten aanzien van uw rekening? Neem dan vooral contact op. Wij onderzoeken voor u wat de beste strategie is en staan u – indien noodzakelijk – bij in rechte.