De gouden regel van artikel 150 Rv: wie afgifte eist, moet ook bewijzen dat de ander het heeft
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1292) de systematiek van artikel 150 Rv (over de bewijslastverdeling) bevestigd in een echtscheidingsgeschil over de verdeling van goud. Wie om afgifte van een goed verzoekt, moet bewijzen dat de wederpartij dat goed nog onder zich heeft – ook als die wederpartij het als laatste aantoonbaar in handen had.
De zaak
Partijen, in 1977 gehuwd, lagen in hun echtscheidingsprocedure in de clinch over een hoeveelheid goud die zij gezamenlijk bewaarden in een safeloket. In februari 2022 – ruim een maand vóór indiening van het echtscheidingsverzoek – haalde de man het goud eigenhandig op uit de kluis en stelde de vrouw daarvan op de hoogte via een foto. Wat er daarna met het goud is gebeurd, werd het twistpunt. De man stelde het goud in de echtelijke woning te hebben achtergelaten toen hij daar vertrok; de vrouw betwistte dit en stelde dat het goud bij de man was.
Het hof Den Haag wees het subsidiaire verzoek van de vrouw toe: afgifte van de helft van het goud, dan wel vergoeding van de waarde ervan. De redenering was dat de man het goud had opgehaald en zijn stelling dat hij het in de woning had achtergelaten onvoldoende had onderbouwd – “waarvan de bewijslast bij hem ligt“, aldus het hof. De Hoge Raad casseerde, omdat het hof artikel 150 Rv niet juist had toegepast. Dat artikel luidt:
“De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.”
Uit het arrest van het hof Den Haag bleek niet dat een bijzondere regel of de redelijkheid en billijkheid een rol hadden gespeeld in het oordeel dat de bewijslast op de man rustte.
Betwisting of bevrijdend verweer?
Om te begrijpen waarom de Hoge Raad het hof corrigeert, is het goed het onderscheid tussen een betwisting en een bevrijdend verweer scherp te hebben. De vuistregel is als volgt.
Wie in een procedure iets wil bereiken – een betaling, afgifte van een goed, schadevergoeding – moet de feiten stellen en, zo nodig, bewijzen waarop dat verzoek steunt. Dat is de hoofdregel van artikel 150 Rv. De wederpartij kan op twee manieren reageren.
De eerste manier is zeggen: “Dat klopt niet.” De vrouw stelt dat de man het goud onder zich heeft; de man zegt: nee, dat heb ik niet, want ik heb het in de woning achtergelaten. Dat is een betwisting: de man bestrijdt het fundament van het verzoek van de vrouw. De bewijslast blijft dan liggen waar die al lag – bij de vrouw.
De tweede manier is zeggen: “Dat klopt, maar het maakt niet uit.” Denk aan een beroep op verjaring: de schuldenaar erkent dat er ooit een schuld was, maar voert aan dat de termijn om die schuld op te eisen is verstreken. Dát is een bevrijdend verweer: de verweerder voegt een nieuw feit toe dat het door de eiser ingeroepen rechtsgevolg blokkeert. Van zo’n bevrijdend verweer draagt de verweerder zelf de bewijslast.
Het onderscheid draait dus niet om de vraag wie er het meest geloofwaardig klinkt, maar om de vraag: beroept de verweerder zich op een eigen, zelfstandig rechtsgevolg dat de toewijzing van de vordering in de weg staat, of ontkent hij simpelweg wat de eiser stelt?
Waar het hof de fout inging
Het hof redeneerde kennelijk: de man geeft toe dat hij het goud uit de kluis heeft gehaald, en stelt vervolgens dat hij het heeft achtergelaten – dus is het aan hem om dat te bewijzen. Die redenering klinkt intuïtief begrijpelijk, maar is juridisch onjuist. De man erkent niet dat hij het goud nu nog heeft en voert vervolgens iets aan om zich daarvan te bevrijden. Hij ontkent juist het fundament van het verzoek: dat hij op dit moment de beschikking over het goud heeft.
A-G Van Peursem wees in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2026:449) op het misleidende karakter van de bekende ezelsbruggetjes ‘ja, maar‘ (bevrijdend verweer) en ‘nee, want‘ (betwisting). De stelling van de man laat zich weliswaar formuleren als “ja, ik had het goud, maar ik heb het achtergelaten” – wat klinkt als een bevrijdend verweer. Maar evengoed past de formulering “nee, ik heb het goud niet meer, want ik heb het achtergelaten.” Bepalend is of de verweerder zich beroept op een zelfstandig rechtsgevolg dat los staat van de grondslag van het verzoek. Dat doet de man niet: hij bestrijdt simpelweg het feit waarop de vrouw haar verzoek tot afgifte baseert.
Het oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam. Dat hof zal opnieuw moeten beoordelen of de man de stelling van de vrouw voldoende gemotiveerd heeft betwist, en zo ja, of de vrouw vervolgens bewijs moet leveren.
Wat leert dit arrest?
Dit arrest herbevestigt een fundamenteel uitgangspunt van ons bewijsrecht dat in de praktijk onder druk kan komen te staan wanneer intuïties over redelijkheid de juridische analyse vertroebelen. De hoofdregel van artikel 150 Rv is strikt: wie zich op een rechtsgevolg beroept, draagt de bewijslast van de feiten die dat rechtsgevolg dragen. Dat geldt onverkort, ook wanneer de wederpartij op enig moment aantoonbaar in een positie verkeerde die het aannemelijk maakt dat zij nog steeds over het gevorderde beschikt.
De verleiding is groot om in zo’n geval de bewijslast ‘om te keren’ – wie het laatst aantoonbaar iets in handen had, moet maar bewijzen dat hij het niet meer heeft. Het hof bezweek voor die verleiding, maar de Hoge Raad oordeelt in de lijn van de in artikel 150 Rv neergelegde basis. Of een verweer als betwisting of als bevrijdend verweer kwalificeert, hangt niet af van de chronologische volgorde van feiten of van wat intuïtief redelijk aanvoelt. Het hangt af van de vraag of de verweerder zich beroept op een zelfstandig rechtsgevolg dat de toewijzing blokkeert, of dat hij simpelweg ontkent dat de feitelijke grondslag van de vordering klopt. In het eerste geval draagt hij de bewijslast; in het tweede geval niet – hoe aannemelijk het ook lijkt dat de man het goud nog heeft.