Praktijkgebieden: Conflictoplossing
In de conclusie van Procureur-Generaal de Bock van 24 oktober 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1149) stond een zelden besproken rechtsvraag centraal: tot welk moment kan in cassatie nog voeging worden gevorderd, wanneer tegen de verweerder in cassatie verstek is verleend?
De zaak draaide om de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen (CGJG), die in cassatie opkwam tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2025:1406) waarin was geoordeeld dat de CGJG onrechtmatig had gehandeld jegens een voormalig ouderling. Twee vrouwen die melding hadden gedaan van misbruik wilden zich in cassatie voegen aan de zijde van de CGJG, omdat het hof had bepaald dat binnen de geloofsgemeenschap actief moest worden meegedeeld dat de man geen kindermisbruiker is. Zij vreesden dat deze rectificatie hun eigen geloofwaardigheid zou aantasten.
Voor voeging in feitelijke instanties na verstekverlening wordt aangenomen dat een incidentele vordering tot voeging kan worden ingesteld tot de datum die is bepaald voor vonnis. Als dat niet zo zou zijn, zou aan het doel van de regeling van voeging – bescherming van de belangen van derden bij een procedure tussen andere partijen – voorbij worden gegaan.
Aangenomen wordt dat de incidentele vordering tot voeging in cassatie (in ieder geval) tijdig is ingediend, indien zij is ingediend voor of op de roldatum waarop verweerder in cassatie een verweerschrift heeft ingediend. In dit geval is verweerder in cassatie echter niet verschenen, waardoor er ook geen datum voor indiening van het verweerschrift is bepaald.
De vraag was of een incidentele vordering tot voeging nog tijdig kan worden ingesteld als de verweerder in cassatie niet is verschenen. De wet zegt daarover weinig. Artikel 218 Rv bepaalt dat voeging moet worden gevorderd vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie wordt genomen. In cassatie is er na verstekverlening echter geen roldatum ‘waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen’.
De Bock vliegt dit probleem pragmatisch aan: in een cassatieprocedure waarin verstek is verleend, moet de vordering tot voeging uiterlijk worden ingediend op de datum die is bepaald voor de schriftelijke toelichting. Dat moment is functioneel vergelijkbaar met de “laatste conclusie” in feitelijke instanties en voorkomt onduidelijkheid in de cassatiepraktijk.
Voeging in cassatie is alleen mogelijk als de derde een reëel belang heeft bij de uitkomst van de zaak. Louter de wens om precedentwerking te voorkomen is niet voldoende; vereist is dat de uitspraak feitelijke of juridische nadelige gevolgen kan hebben voor degene die zich wil voegen. In deze zaak was dat belang evident: de rectificatieplicht uit het arrest van het hof raakte rechtstreeks aan de reputatie van de verzoeksters binnen hun gemeenschap.
De conclusie schept duidelijkheid over een rechtsvraag waar wetgeving en rechtspraak tot dusver geen uitsluitsel over gaven. Voeging in cassatie blijft mogelijk, ook na verstek, maar de grens ligt bij de roldatum van de schriftelijke toelichting. Daarna is het te laat.
Door het leggen van conservatoir (derden) beslag worden vermogensbestanddelen van een wederpartij per direct bevroren. Er kan geen overdracht meer plaatsvinden en in bepaalde gevallen kunnen vermogensbestanddelen zelfs elders in bewaring worden gegeven. Deze actie kan druk zetten op de wederpartij waardoor een snelle oplossing kan worden bereikt.
Beslaglegging moet wel altijd worden gevolgd door een bodem of arbitrage procedure, tenzij eerder een buitengerechtelijke oplossing wordt bereikt.
Onterecht leggen van beslag moet worden voorkomen; het kan leiden tot een schadevergoedingsactie.
Wij onderzoeken graag of dit rechtsmiddel in uw situatie tot een spoedige oplossing kan leiden.
Snel een uitspraak nodig van de rechter over een bepaalde urgente situatie? In dat geval is een kort geding een oplossing voor uw situatie. De rechter geeft een voorlopig oordeel waaraan partijen zich al dan niet op straffe van een dwangsom dienen te houden.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende juridische oplossing.
Dit is in het civiele en bestuurlijke recht de procedure die (al dan niet na hoger beroep) leidt tot een definitieve beslechting van het geschil. Anders dan in een kort geding ligt de nadruk hier veel meer op een schriftelijke uitwisseling van processtukken.
Wij onderzoeken graag of dit de aangewezen procedure is voor uw geschil.
Een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moet deze bewijzen. Voorafgaand aan iedere gewenste procedure moet derhalve de bewijspositie worden bekeken.
Soms is het bewijs nog niet voldoende in handen van de cliënt. In dat geval is nadere actie gewenst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het instellen van een (voorlopig) getuigenverhoor of het afdwingen van het verkrijgen van inzage in bepaalde documenten die zich bij de wederpartij bevinden (exhibitieplicht).
Wij zoeken graag met u naar de mogelijkheden om uw bewijsprobleem op te lossen.
Soms ontstaat er in een onderneming een intern geschil tussen aandeelhouders of tussen het bestuur en (enkele) aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de te volgen strategie van de onderneming. In dat geval kan aan de Ondernemingskamer, een speciaal daarvoor geëquipeerde afdeling van het Hof Amsterdam -- bij ons kantoor om de hoek -- een onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming worden gevraagd. Zo'n onderzoek kan worden voorafgegaan door het vragen van voorlopige voorzieningen, zoals het schorsen van een bestuurder voor de duur van de procedure of het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van een aandeelhouder.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende oplossing.