icon

Geen hoorrecht voor gefailleerde en schuldeisers bij salarisvaststelling curator: Hoge Raad verwerpt beroep op EU-Richtlijn

Op 17 april 2026 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 27 lid 4 van Richtlijn (EU) 2019/1023 (de Richtlijn) de lidstaten niet verplicht tot het invoeren van een procedure waarin de gefailleerde en schuldeisers worden gehoord over de vaststelling van het salaris van de curator (ECLI:NL:HR:2026:662). De Hoge Raad bevestigt daarmee een vaste lijn die teruggaat tot zijn beschikking van 19 januari 1990 (ECLI:NL:HR:1990:AD1009).

Feiten en procesverloop

In een faillissement dat in 2018 door de rechtbank Den Haag werd uitgesproken, verzocht de curator om vaststelling van een voorschot op zijn salaris ad € 155.122,67 en op de faillissementskosten ad € 6.204,91 over de periode januari 2023 tot en met februari 2025. De rechtbank wees het verzoek toe nadat zij de rechter-commissaris daarover had gehoord, maar zonder de gefailleerde en/of schuldeisers bij haar oordeel te betrekken. De gefailleerde en Youtoo Holding B.V. – een schuldeiser met een lopend geschil over de hoogte van haar bij de curator ingediende vordering – stelden cassatieberoep in.

Het wettelijk kader: artikel 71 Fw

Artikel 71 lid 1 Faillissementswet (Fw) draagt de rechtbank op het salaris van de curator vast te stellen. De rechtbank doet dit in hoogste ressort: hoger beroep bij het hof staat niet open (zie artikel 85 Fw). Sinds implementatie van de Richtlijn geldt per 1 januari 2023 een hoorrecht voor de curator wanneer de rechtbank wil afwijken van diens salarisvoorstel óf de rechter-commissaris met dat voorstel niet instemt. Deze regel is neergelegd in het derde lid van artikel 71 Fw. Een hoorrecht voor de gefailleerde of schuldeisers kent de wet niet.

De vaste rechtspraak: administratieve beslissing zonder partijen

De Hoge Raad oordeelde in zijn beschikking van 19 januari 1990 dat de salarisvaststelling van de curator een administratieve beslissing betreft die door de rechter wordt genomen in het kader van de gerechtelijke vereffening van de boedel. De Hoge Raad merkte daarbij op dat van “partijen” die moeten worden gehoord geen sprake is. Een beroep op het beginsel van hoor en wederhoor en art. 6 EVRM deed aan dat oordeel niet af.

In HR 12 november 1999 (ECLI:NL:HR:1999:AA3364) is dit stelsel nader uitgewerkt: de curator dient wél te worden gehoord, omdat zijn belangen rechtstreeks zijn betrokken bij de vaststelling van het salaris waarop hij meent recht te hebben. Voor de gefailleerde en schuldeisers geldt dit echter niet op gelijke voet, mede omdat het horen van hen tot “vertraging en een onredelijke verzwaring van de procedure” zou leiden.

Art. 27 lid 4 Richtlijn: reikwijdte en implementatie

Terug naar de uitspraak van 17 april 2026. Het cassatiemiddel berustte op de stelling dat artikel 27 lid 4 van de Richtlijn het stelsel in voornoemde rechtspraak van de Hoge Raad heeft doorbroken. De Richtlijn verplicht lidstaten ertoe “geschikte procedures voorhanden” te hebben om “eventuele geschillen over vergoeding te beslechten“. In cassatie betoogden verzoekers dat in deze tekst mede moeten worden gelezen dat de failliet en schuldeisers een hoorrecht hebben in de procedure tot vaststelling van het salaris van de curator.

In navolging van A-G Snijders (ECLI:NL:PHR:2026:151) verwerpt de Hoge Raad dit betoog met de vaststelling dat er “redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan” dat de Richtlijn tot een dergelijk hoorrecht niet verplicht. Dat oordeel steunt op drie pijlers.

Pijler 1

Ten eerste de plaatsing en doelstelling van artikel 27 lid 4 van de Richtlijn. De bepaling is opgenomen in Titel IV van de Richtlijn, getiteld “Maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van de procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld“. Het doel van de Richtlijn is uitdrukkelijk het efficiënter maken van insolventieprocedures, niet de harmonisering van procedurele waarborgen voor de gefailleerde of schuldeisers. Het Nederlandse stelsel voldoet aan dit efficiëntievereiste, juist doordat de gefailleerde en schuldeisers geen partij zijn bij de salarisvaststelling.

Pijler 2

Ten tweede de ontstaansgeschiedenis van de Richtlijn. Het oorspronkelijke Commissievoorstel bevatte gedetailleerdere voorschriften over de vergoeding van insolventiefunctionarissen. Op aandringen van nagenoeg alle lidstaten is bij de compromistekst gekozen voor een “meer op beginselen gebaseerde benadering” die lidstaten meer vrijheid laat. De definitieve tekst van artikel 27 lid 4 van de Richtlijn is dus flexibeler dan het voorstel, niet dwingender.

Pijler 3

Ten derde de Nederlandse implementatiegeschiedenis. Het voorontwerp dat in 2021 ter consultatie werd aangeboden, bevatte wél een hoorplicht voor de gefailleerde en schuldeisers in artikel 71 lid 3 Fw. Na forse kritiek van (onder andere) INSOLAD en de Raad voor de Rechtspraak, die wezen op de te verwachten vertragingen en betwistten dat de Richtlijn daartoe verplichtte, is de wetgever bij de indiening van het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2021/22, 36 040) uitdrukkelijk van die hoorplicht afgestapt. De toelichting stelt dat artikel 69 Fw als “geschikte procedure” in de zin van artikel 27 lid 4 Richtlijn kan worden aangemerkt. Die procedure richt zich evenwel op de handelwijze van de curator – efficiëntie, kostenbewustzijn, concrete gedragingen – niet op de vaststelling van zijn salaris.

A-G Snijders: Geen toepassing van art. 6 EVRM

A-G Snijders gaat in zijn conclusie ook in op de EVRM-dimensie, waaraan verzoekers overigens geen zelfstandige klacht hadden gewijd. Artikel 6 lid 1 EVRM beschermt het recht op een eerlijk proces bij “the determination of civil rights and obligations“. Dat veronderstelt een geschil over een zodanig recht dat in de procedure wordt beslecht. Nu de salarisvaststelling een administratieve beslissing betreft waarbij geen sprake is van partijen – en de gefailleerde en schuldeisers er juridisch niet door worden gebonden – is er geen “dispute” of “contestation” in de zin van artikel 6 EVRM.

Praktische betekenis

Het arrest is in meerdere opzichten van belang. Voor curatoren schept het duidelijkheid: de salarisvaststelling blijft een administratieve procedure die niet kan worden opgehouden door bezwaren van de gefailleerde of schuldeisers in de salarisvaststellingsprocedure zelf. Voor gefailleerden en schuldeisers bevestigt het arrest dat de enige wettelijke route voor beïnvloeding van de handelwijze van de curator artikel 69 Fw is. Die route biedt slechts soelaas in een vroeg stadium: zodra kosten eenmaal zijn gemaakt en het salaris is vastgesteld, staat de hoogte van dat salaris ook daadwerkelijk vast.

Naar geldend recht is er geen uitspraak die een vordering van de gefailleerde na faillissement wegens een te hoog vastgesteld salaris uitdrukkelijk toestaat of afwijst. A-G Snijders heeft in zijn conclusie de theoretische mogelijkheid gesignaleerd, maar de contouren bewust in het midden gelaten.

Of de door A-G Snijders aangestipte weg via een vordering ná het faillissement ooit praktisch begaanbaar zal blijken, valt te bezien. De dogmatische opening is er: de gefailleerde is geen partij bij de salarisvaststelling en is er in beginsel niet aan gebonden. Maar de bewijslast is zwaar, de schadedrempel is hoog en de rechterlijke goedkeuring van de salarisspecificatie maakt persoonlijke aansprakelijkheid van de voormalig curator alleen bij evidente misstanden denkbaar. Voorlopig blijft deze route wat zij bij A-G Snijders ook was: een noot onder aan de streep.

Heeft u vragen?

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Geen hoorrecht voor gefailleerde en schuldeisers bij salarisvaststelling curator: Hoge Raad verwerpt beroep op EU-Richtlijn
Praktijkgebieden blogs
Auteurfilter blog