Praktijkgebieden: Vastgoed
In appartementengebouwen kan zogenoemd contactgeluid voor veel overlast zorgen. Contactgeluid is het geluid dat wordt veroorzaakt door een bron die door contact een constructie in trilling brengt, bijvoorbeeld voetstappen van de bovenburen of schuivende stoelen. Stemgeluid of muziek worden ter onderscheid aangemerkt als “luchtgeluid”, hierbij is geen sprake van contact met een constructie. Contactgeluid kan vooral merkbaar en storend zijn wanneer de bovenburen een parketvloer hebben aangelegd. Om die reden is in veel splitsingsakten voor appartementengebouwen bepaald dat de aanleg van parketvloeren of andere harde vloerbedekkingen niet is toegestaan, tenzij aan een bepaalde minimum contactgeluidsisolatie wordt voldaan. Ook in het Bouwbesluit 2003 zijn specifieke normen opgenomen voor een minimum contactgeluidsisolatie. In de praktijk blijkt dat het voldoen aan de normen van het Bouwbesluit 2003 nog niet garandeert dat ook aan de splitsingsakte wordt voldaan. In deze bijdrage zijn de toepasselijke normen op een rijtje gezet.
In Bouwbesluit 2003 is bepaald dat (kale) vloeren tussen verblijfsruimten van afzonderlijke woningen een contactgeluidsisolatie-index van ten minste +5 dB moeten hebben. Aannemers moeten hier aan voldoen bij de bouw of renovatie van een appartementengebouw. Vooral bij oude panden blijkt dat een hoge contactgeluidsisolatie-index niet altijd haalbaar is, ook niet wanneer aanvullende maatregelen worden getroffen zoals het aanbrengen van een “zwevende dekvloer” tussen de parketvloer en de kale vloer. In het Bouwbesluit is daarom bepaald dat voor het gedeeltelijk veranderen of vergroten van bestaande gebouwen vrijstelling kan worden verleend voor een contactgeluidsisolatie die maximaal 10 dB lager ligt, dus -5 dB.
De Nederlandse Stichting Geluidshinder adviseert voor een goede contactgeluidsisolatie een vloer met een contactgeluidsisolatie-index van minimaal +10 dB. In sommige splitsingsakten is daarom bepaald dat de aanleg van parketvloeren en andere harde vloerbedekkingen alleen is toegestaan wanneer aan een contactgeluidsisolatie-index van + 10 dB wordt voldaan. In veel (oudere) splitsingsakten wordt overigens geen concrete contactgeluidsnorm genoemd, maar is bepaald dat sprake moet zijn van een “behoorlijke geluidsisolerende werking”. In een recente uitspraak van de rechtbank van Amsterdam overweegt de rechtbank dat een “behoorlijke geluidwerende laag” eveneens met zich meebrengt dat de contactgeluidsisolatie-index minimaal +10 dB bedraagt. Dit kan mijns inziens wel verschillen per geval. In een monumentaal pand zal bijvoorbeeld eerder genoegen moeten worden genomen met een mindere geluidsisolatie dan +10 dB dan in een modern appartementengebouw, zeker wanneer gebruik is gemaakt van de bovengenoemde vrijstellingsmogelijkheid van het Bouwbesluit 2003.
Hoe dan ook blijkt uit het bovenstaande dat op grond van de splitsingsakten van appartementengebouwen een betere contactgeluidsisolatie kan zijn voorgeschreven dan in het Bouwbesluit 2003. Door deze verschillende normen kunnen problemen ontstaan in de aansprakelijkheid. De bepalingen in de splitsingsakte zijn niet bindend voor de aannemer, maar voor de leden van de vereniging van eigenaren. Wanneer een eigenaar een parketvloer laat aanleggen moet dus vooraf goed worden bekeken of kan worden voldaan aan de normen uit de splitsingsakte en moet dit aan de aannemer worden doorgegeven en de haalbaarheid door hem worden gegarandeerd. Wanneer niet wordt voldaan aan de splitsingsakte bestaat immers het risico dat de onderburen eisen dat de parketvloer wordt verwijderd of dat extra geluidsisolatie moet worden aangebracht (wat niet altijd mogelijk is). De betreffende eigenaar is daarvoor verantwoordelijk. Zolang wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bouwbesluit 2003 kan de aansprakelijkheid voor de eventuele schade die daaruit voortvloeit mijns inziens niet worden afgewenteld op de aannemer, tenzij uitdrukkelijk met de aannemer is afgesproken dat moet worden voldaan aan de splitsingsakte.
Door het leggen van conservatoir (derden) beslag worden vermogensbestanddelen van een wederpartij per direct bevroren. Er kan geen overdracht meer plaatsvinden en in bepaalde gevallen kunnen vermogensbestanddelen zelfs elders in bewaring worden gegeven. Deze actie kan druk zetten op de wederpartij waardoor een snelle oplossing kan worden bereikt.
Beslaglegging moet wel altijd worden gevolgd door een bodem of arbitrage procedure, tenzij eerder een buitengerechtelijke oplossing wordt bereikt.
Onterecht leggen van beslag moet worden voorkomen; het kan leiden tot een schadevergoedingsactie.
Wij onderzoeken graag of dit rechtsmiddel in uw situatie tot een spoedige oplossing kan leiden.
Snel een uitspraak nodig van de rechter over een bepaalde urgente situatie? In dat geval is een kort geding een oplossing voor uw situatie. De rechter geeft een voorlopig oordeel waaraan partijen zich al dan niet op straffe van een dwangsom dienen te houden.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende juridische oplossing.
Dit is in het civiele en bestuurlijke recht de procedure die (al dan niet na hoger beroep) leidt tot een definitieve beslechting van het geschil. Anders dan in een kort geding ligt de nadruk hier veel meer op een schriftelijke uitwisseling van processtukken.
Wij onderzoeken graag of dit de aangewezen procedure is voor uw geschil.
Een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moet deze bewijzen. Voorafgaand aan iedere gewenste procedure moet derhalve de bewijspositie worden bekeken.
Soms is het bewijs nog niet voldoende in handen van de cliënt. In dat geval is nadere actie gewenst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het instellen van een (voorlopig) getuigenverhoor of het afdwingen van het verkrijgen van inzage in bepaalde documenten die zich bij de wederpartij bevinden (exhibitieplicht).
Wij zoeken graag met u naar de mogelijkheden om uw bewijsprobleem op te lossen.
Soms ontstaat er in een onderneming een intern geschil tussen aandeelhouders of tussen het bestuur en (enkele) aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de te volgen strategie van de onderneming. In dat geval kan aan de Ondernemingskamer, een speciaal daarvoor geëquipeerde afdeling van het Hof Amsterdam -- bij ons kantoor om de hoek -- een onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming worden gevraagd. Zo'n onderzoek kan worden voorafgegaan door het vragen van voorlopige voorzieningen, zoals het schorsen van een bestuurder voor de duur van de procedure of het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van een aandeelhouder.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende oplossing.