Reorganisatie of excuus? Rechter tikt aandeelhouder op de vingers
Na een dienstverband van ruim dertig jaar, waarvan zestien jaar als statutair bestuurder, werd de bestuurder in deze zaak onverwacht geconfronteerd met zijn ontslag. Op 27 februari 2025 werd hij uitgenodigd voor een aandeelhoudersvergadering waarin zijn ontslag al op de agenda stond. Volgens de aandeelhouder was het bedrijf al jaren verlieslatend en was verdere integratie binnen het concern noodzakelijk. Daarbij zou onvoldoende vertrouwen bestaan dat de bestuurder dit proces kon leiden. Het besluit volgde snel: hij werd ontslagen als bestuurder, onmiddellijk op non-actief gesteld en zijn arbeidsovereenkomst werd beëindigd.
De bestuurder legde zich daar niet bij neer en stapte naar de rechter (ECLI:NL:RBMNE:2025:7137). Volgens hem ontbrak een redelijke ontslaggrond en had de werkgever ernstig verwijtbaar gehandeld.
De bijzondere positie van de statutair bestuurder
Een statutair bestuurder neemt een bijzondere positie in. Zijn ontslag moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het vennootschapsrechtelijk ontslag. Het uitgangspunt is dat een rechtsgeldig ontslag uit de vennootschapsrechtelijke positie automatisch leidt tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit volgt uit de zogenoemde 15 april-arresten. (Voor meer informatie verwijzen wij naar onze eerdere blogs Ontslagbescherming voor statutair bestuurder uitgelegd)
Anders dan bij gewone werknemers kan het arbeidsrechtelijk ontslag van een statutair bestuurder niet worden hersteld. De reden daarvoor is dat het bevoegde orgaan (in dit geval de algemene vergadering van aandeelhouders) de bestuurder te allen tijde moet kunnen ontslaan en dat het niet aan de overheid is hierin te treden.
Toch geniet de statutair bestuurder een belangrijke arbeidsrechtelijke bescherming. Op grond van artikel 7:682 lid 3 BW mag de arbeidsovereenkomst alleen worden opgezegd bij een redelijke ontslaggrond. Ontbreekt deze, dan kan de rechter een billijke vergoeding toekennen.
Geen voldragen bedrijfseconomische ontslaggrond
Tijdens de procedure stelde de onderneming dat de functie van de bestuurder vanwege een reorganisatie noodzakelijk was komen te vervallen. Door een wijziging in de aansturing van de onderneming zou de functie van de bestuurder komen te vervallen. De rechtbank stelde voorop dat een onderneming vrijheid heeft om haar organisatie in te richten. Wel geldt dat een reorganisatie concreet en deugdelijk moet worden onderbouwd. Zij moet inzichtelijk maken dat de reorganisatie noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering.
Ter onderbouwing van de bedrijfseconomische noodzaak verwees de onderneming alleen naar een winst- en verliesrekening tot augustus 2025. Daaruit bleek een verlies van ruim € 38.000, terwijl daarnaast een aanzienlijk bedrag van € 406.812 als administratieve kosten was opgenomen, terwijl daar een veel lager bedrag (€ 272.812) voor begroot was. De onderneming heeft toegelicht dat dit verklaard kan worden door de kosten voor het ontslag. Dit laat zien dat er tot augustus 2025, zelfs zonder het ontslag, geen sprake was van een verlieslijdende situatie. De onderneming overlegde bovendien geen prognose. De rechtbank oordeelde daarom dat niet concreet en onderbouwd was dat de financiële situatie op het moment van het ontslagbesluit zodanig slecht was dat de functie per direct moest vervallen.
Inconsistente en wisselende ontslagredenen
De ontslagredenen zoals medegedeeld op 11 maart 2025 kwamen niet overeen met de latere uitleg tijdens de procedure. Tijdens de procedure werd het ontslag later puur bedrijfseconomisch genoemd, terwijl eerder werd gesteld dat de bestuurder de integratie onvoldoende kon leiden. Een statutair bestuurder moet vooraf duidelijk weten op welke gronden hij wordt ontslagen, zodat hij zijn hoor- en adviesrecht kan uitoefenen; achteraf wijzigen of aanvullen van redenen is niet toegestaan. De rechtbank oordeelde dat het ontslag niet puur bedrijfseconomisch was. De tegenstrijdigheden en het ontbreken van een vooraf goed doordacht reorganisatieplan maakten duidelijk dat het ontslag niet zorgvuldig was voorbereid. De rechter concludeerde dat achteraf een bedrijfseconomische reden was geconstrueerd, omdat de aandeelhouder iemand anders aan de top wilde zien, en kwalificeerde dit als ernstig verwijtbaar handelen.
Ook de uitvoering van het ontslag was problematisch. De bestuurder werd vooraf niet geïnformeerd over de gewijzigde visie van de aandeelhouder of de gevolgen voor zijn positie en werd volledig verrast door de aankondiging van zijn ontslag. Er werden slechts summiere ontslagredenen genoemd, zonder nadere toelichting, en de reden kreeg later een andere wending. Bovendien werd hij plotseling buiten de organisatie geplaatst en per direct op non-actief gezet, terwijl zijn taken niet waren vervallen. Dit was onnodig diffamerend en onnodig ingrijpend.
De financiële nasleep
Bij het bepalen van de billijke vergoeding hield de rechtbank rekening met de lange staat van dienst, de leeftijd van de bestuurder en zijn positie op de arbeidsmarkt. De rechtbank achtte het aannemelijk dat de bestuurder binnen twee jaar ander werk zou kunnen vinden, maar waarschijnlijk tegen een lager salaris.
De inkomensschade over die periode en een beperkte pensioenschade leidden tot een billijke vergoeding van € 222.000 bruto. Daarnaast werd de werkgever veroordeeld tot betaling van een deel van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
Wat leert deze uitspraak?
Deze uitspraak laat zien dat ook bij het ontslag van een statutair bestuurder zorgvuldigheid essentieel blijft. Een reorganisatie moet vooraf goed zijn doordacht en onderbouwd, ontslagredenen moeten duidelijk en consistent zijn en de bestuurder moet in staat worden gesteld zijn hoor- en adviesrechten daadwerkelijk uit te oefenen.
Voor bestuurders bevestigt deze zaak dat het zinvol kan zijn een ontslag kritisch te laten toetsen. Hoewel herstel van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk is, kan een billijke vergoeding alsnog recht doen aan de wijze waarop het ontslag tot stand is gekomen.