Wieringa AdvocatenWieringa Advocaten • Postbus 10100 1001 EC Amsterdam • IJdok 17 1013 MM Amsterdam • +31 (0)20 624 6811 • Wieringa@wieringa.nl
 
Handels- en ondernemingsrecht

De vorderingen tot overdracht van aandelen door minderheidsaandeelhouders (uitkoopprocedure)

In de uitkoopprocedure kan de houder van de overgrote meerderheid van de aandelen in een nv of bv een vordering instellen bij de Ondernemingskamer tot overname van aandelen die worden gehouden door een of meerdere minderheidsaandeelhouders. In deze blog ga ik in op de algemene uitkoopregeling van de artikelen 2:92a BW en 2:201a BW. De bijzondere uitkoopregeling na een openbaar bod ex artikel 2:359c BW laat ik buiten beschouwing.

Deze blog is onderdeel van de Serie Ondernemingskamer.

Wat is de uitkoopprocedure?

De uitkoopprocedure wordt ingeleid met een dagvaarding, gericht tot de gezamenlijke andere aandeelhouders van desbetreffende nv of bv (hierna spreek ik over ‘vennootschap’). Doel van de procedure is de meerderheidsaandeelhouder van een vennootschap in staat te stellen de andere aandeelhouders in de vennootschap, buiten het geval van een geschil in de vennootschap, te dwingen de aandelen die zij houden over te dragen. In dat kader wordt in de uitkoopprocedure een afweging gemaakt tussen de belangen van de houder van de overgrote meerderheid van de aandelen en de houders van de resterende aandelen. De Ondernemingskamer buigt zich daarbij over deze belangen en zal daarnaast een oordeel vormen over de vraag welke prijs de minderheidsaandeelhouder voor de over te dragen aandelen dient te ontvangen.

Wie kan de uitkoopprocedure starten?

Uit de wet volgt dat de uitkoopprocedure kan worden ingesteld door die aandeelhouder of groep van aandeelhouders in de zin van artikel 2:24b BW die ten minste 95% van het geplaatste kapitaal verschaft. Bij de bv geldt bovendien het aanvullende vereiste dat de aandeelhouder die de vordering tot uitkoop instelt ten minste 95% van het stemrecht in de algemene vergadering moet kunnen uitoefenen.

Verloop procedure

Indien door de meerderheidsaandeelhouder aan de bovenstaande vereisten wordt voldaan, is de vordering in beginsel toewijsbaar. De wetgever heeft drie (limitatieve) gronden gegeven wanneer de vordering dient te worden afgewezen. De Ondernemingskamer wijst de vordering af indien:

  • de gedaagde ‘ernstige stoffelijke schade’ zou lijden ondanks de te ontvangen vergoeding voor de aandelen;
  • de gedaagde houder is van een prioriteitsaandeel (waaraan bijzondere zeggenschapsrechten zijn verbonden);
  • de eiser jegens een (of meerdere) gedaagde(n) afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid de vordering in te stellen.

De wetgever heeft geen regel geformuleerd hoe de prijs van de aandelen dient te worden vastgesteld: dit is ter discretie aan de Ondernemingskamer voorbehouden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de uit te kopen aandeelhouders recht hebben op een reële en redelijke vergoeding. Kan de Ondernemingskamer op basis van de aan haar verstrekte informatie de waarde van de aandelen niet vaststellen, dan kan zij deskundigen benoemen die onderzoek naar de waarde van de aandelen zal doen.

Tot slot

Heeft u vragen over een procedure bij de Ondernemingskamer? Bij Wieringa Advocaten hebben wij ruime ervaring met het voeren van procedures bij de Ondernemingskamer als het voorkomen daarvan. Neem gerust contact met ons op, wij helpen u graag.

Deel dit artikel via     
Twitter     Twitter     E-mail     

Blogs over handels- en ondernemingsrecht

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

 

waarnaar bent u op zoek?

pagina's waarop minstens één van de zoektermen voorkomt
pagina's waarop alle zoektermen voorkomen
pagina's waarop de exacte tekst voorkomt

in de hele website
alleen in de blog
in de website met uitzondering van de blog

Wieringa Advocaten