Praktijkgebieden: Ondernemingsrecht, Ruimtelijke ordening
2020 is pas net begonnen maar we blikken alvast vooruit naar 2021: op 1 januari 2021 staat namelijk de inwerkingtreding van de Omgevingswet op de planning. De Omgevingswet bundelt kort gezegd 26 wetten die gaan over de fysieke leefomgeving. Vanuit Wieringa Advocaten verschijnen regelmatig blogs over een thema uit de Omgevingswet, zoals over de digitalisering en het bevoegd gezag onder de Omgevingswet.
In deze blog zal ik aandacht besteden aan de vergunningsaanvraag voor bouwactiviteiten onder de Omgevingswet.
Huidige situatie
Voor bouwactiviteiten dient in de meeste situaties een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Vergunningsvrije situaties staan in Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De toetsingsgronden voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor (enkel) de activiteit bouwen staan in artikel 2:10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Er geldt voor het toetsen van een aanvraag voor de activiteit bouwen een ‘limitatief-imperatief’ stelsel. Dit brengt met zich dat bij het ontbreken van een weigeringsgrond de omgevingsvergunning zoals aangevraagd, moet worden verleend. Een vergunning wordt bijvoorbeeld geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, het Bouwbesluit 2012, de Bouwverordening of een toepasselijke welstandsnota. Alle aspecten van de aanvraag (planologisch en bouwtechnisch) worden dus in één aanvraag beoordeeld.
Vergunning bouwen in de Omgevingswet
In de Omgevingswet wordt het bestemmingsplan vervangen door het omgevingsplan. Het aanvragen voor een vergunning voor bouwen in de Omgevingswet gaat anders dan hoe het nu gaat. De omgevingsvergunning voor bouwen in de Omgevingswet wordt namelijk in twee vergunningen ‘geknipt’: 1) de bouwtechnische omgevingsvergunning en 2) een omgevingsvergunning voor het bouwen op grond van het omgevingsplan.
De bouwtechnische omgevingsvergunning ziet uitsluitend op de technische eisen waaraan een bouwwerk (en zijn omgeving) moet voldoen. Deze regels zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De toets is te vergelijken met de toets die nu wordt gedaan aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. Een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit is in beginsel verplicht tenzij de bouwactiviteit is uitgezonderd voor deze verplichting op grond van het Bbl.
De omgevingsvergunning voor het bouwen op grond van het omgevingsplan betreft een toets aan de planologische aspecten. De regeling met betrekking tot de omgevingsplanactiviteit is voor een deel landelijk geregeld in het BbI. Gemeentelijk kunnen er echter ook aanvullende eisen worden gesteld aan de planologische en esthetische aspecten van bouwwerken in het lokale omgevingsplan. Indien het omgevingsplan voorschrijft dat een omgevingsvergunning dient te worden verkregen voor een bouwactiviteit dan dient een ‘omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor bouwen’ te worden aangevraagd.
Het zal dus verschillen per bouwactiviteit of er geen, één óf twee vergunningen moeten worden aangevraagd.
Op grond van de Omgevingswet is het mogelijk om eerst de omgevingsvergunning voor het bouwen op grond van het omgevingsplan aan te vragen om te bezien of op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning wordt verleend. Als die vergunning wordt verkregen kan vervolgens de bouwtechnische omgevingsvergunning worden aangevraagd. Dit bespaart in eerste instantie kosten voor het maken van bouwtechnische tekeningen en berekeningen.
In de geconsolideerde versie van de Omgevingswet is artikel 5.17 vervallen. In deze bepaling stond dat indien een aanvraag voor een bouwactiviteit in strijd is met het omgevingsplan, de aanvraag tevens wordt aangemerkt als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met het omgevingsplan (een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit). Het vervallen van artikel 5.17 brengt met zich mee dat het de verantwoordelijkheid wordt van de aanvrager om te bepalen of een bouwactiviteit op grond van het omgevingsplan vergunningsvrij is. Dit kan soms lastig zijn voor een aanvrager omdat een omgevingsplan open normen kan bevatten.
Uiteraard kan een aanvrager altijd zekerheidshalve een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met het omgevingsplan aanvragen. Deze gang van zaken lijkt echter strijdig met de doelstellingen van de Omgevingswet. Immers tracht de Omgevingswet het omgevingsrecht inzichtelijk, voorspelbaar en gemakkelijk in gebruik te maken en de besluitvorming sneller en beter.
Kortom, de ‘knip’ in vergunningsaanvraag voor bouwactiviteiten onder de Omgevingswet brengt een verandering met zich mee waaraan gebruikers zullen moeten wennen. Wij houden u uiteraard op de hoogte van verdere ontwikkelingen omtrent de Omgevingswet.
Roos de Grave is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot onderstaande contactpersoon van het praktijkgebied handel- en ondernemingsrecht.
Door het leggen van conservatoir (derden) beslag worden vermogensbestanddelen van een wederpartij per direct bevroren. Er kan geen overdracht meer plaatsvinden en in bepaalde gevallen kunnen vermogensbestanddelen zelfs elders in bewaring worden gegeven. Deze actie kan druk zetten op de wederpartij waardoor een snelle oplossing kan worden bereikt.
Beslaglegging moet wel altijd worden gevolgd door een bodem of arbitrage procedure, tenzij eerder een buitengerechtelijke oplossing wordt bereikt.
Onterecht leggen van beslag moet worden voorkomen; het kan leiden tot een schadevergoedingsactie.
Wij onderzoeken graag of dit rechtsmiddel in uw situatie tot een spoedige oplossing kan leiden.
Snel een uitspraak nodig van de rechter over een bepaalde urgente situatie? In dat geval is een kort geding een oplossing voor uw situatie. De rechter geeft een voorlopig oordeel waaraan partijen zich al dan niet op straffe van een dwangsom dienen te houden.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende juridische oplossing.
Dit is in het civiele en bestuurlijke recht de procedure die (al dan niet na hoger beroep) leidt tot een definitieve beslechting van het geschil. Anders dan in een kort geding ligt de nadruk hier veel meer op een schriftelijke uitwisseling van processtukken.
Wij onderzoeken graag of dit de aangewezen procedure is voor uw geschil.
Een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moet deze bewijzen. Voorafgaand aan iedere gewenste procedure moet derhalve de bewijspositie worden bekeken.
Soms is het bewijs nog niet voldoende in handen van de cliënt. In dat geval is nadere actie gewenst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het instellen van een (voorlopig) getuigenverhoor of het afdwingen van het verkrijgen van inzage in bepaalde documenten die zich bij de wederpartij bevinden (exhibitieplicht).
Wij zoeken graag met u naar de mogelijkheden om uw bewijsprobleem op te lossen.
Soms ontstaat er in een onderneming een intern geschil tussen aandeelhouders of tussen het bestuur en (enkele) aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de te volgen strategie van de onderneming. In dat geval kan aan de Ondernemingskamer, een speciaal daarvoor geëquipeerde afdeling van het Hof Amsterdam -- bij ons kantoor om de hoek -- een onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming worden gevraagd. Zo'n onderzoek kan worden voorafgegaan door het vragen van voorlopige voorzieningen, zoals het schorsen van een bestuurder voor de duur van de procedure of het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van een aandeelhouder.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende oplossing.