Praktijkgebieden: Vastgoed
Onlangs is een interessante kort geding uitspraak in het kader van de zogenaamde Didam-arresten van de Rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:12802) gepubliceerd. In de Didam-arresten is – kort gezegd – bepaald dat op overheidsorganen op grond van wetgeving en vaste rechtspraak de plicht rust om bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten de algemene beginsel van behoorlijk bestuur en daarmee het gelijkheidsbeginsel in acht neemt. Overheidsorganen dienen – in beginsel – de ruimte te bieden om alle potentiële gegadigden mee te laten dingen. De uitzondering op dat uitgangspunt als sprake is van één serieuze gegadigde. Voor nadere toelichting van de arresten Didam I en Didam II verwijzen wij u naar onze landingspagina en naar een aantal recente blogs van ons op dit gebied.
De kwestie die voorlag ging om het voornemen van de gemeente Nissewaard om een perceel van 53 m² te verkopen aan een projectontwikkelaar die eigenaar is van het naastgelegen perceel. De projectontwikkelaar wilde daar zorgwoningen bouwen en het gemeentelijke perceel gebruiken voor een buitenruimte en nooduitgang.
De gemeente kondigde dit verkoopvoornemen aan in het Gemeenteblad. Uit de publicatie blijkt dat de gemeente van mening is dat sprake is van de uitzonderingsgrond zoals volgt uit Didam I. De projectontwikkelaar was volgens de gemeente de enige serieuze gegadigde omdat:
De eiser in deze zaak – een bewoner op ongeveer 65 meter afstand van het perceel – is het niet met het voornemen van de gemeente eens en gaat daartegen in bezwaar. In zijn bezwaar laat eiser weten dat:
De gemeente wijst het bezwaar van eiser met de volgende motivering af:
“4. [projectontwikkelaar] B.V. heeft reeds als unieke private partij eigendom naast perceel [sectie] [perceelnummer] . [projectontwikkelaar] B.V. is voornemens woningbouw te realiseren voor mensen met een zorgbehoefte. Het te verkopen perceel zal gebruikt worden om de vluchtweg te ontsluiten en als afgeschermde buitenruimte voor de bewoners. Maatschappelijk gezien is er behoefte aan het realiseren van woningbouw voor mensen met een zorgbehoefte. [projectontwikkelaar] B.V. is samen met [zorginstelling] in staat om in deze behoefte te voorzien. Daarom bestaat er een sterke koppeling tussen de verkoop perceel [sectie] [perceelnummer] en de beoogde woningbouw. De grootte van perceel [sectie] [perceelnummer] is met z’n 53 m² beperkt in omvang, en met de situering direct aan de gevel van zowel het huidige gebouw als het geplande zorggebouw niet geschikt voor het realiseren van parkeerplaatsen. Dit zijn objectieve, toetsbare en redelijke selectiecriteria. Om die redenen gaat het college niet over tot het aanbieden van dit perceel aan andere gegadigden.”
Eiser is het daar niet mee eens en vordert een verbod om het perceel zonder openbare, eerlijke selectieprocedure te verkopen op straffe van een dwangsom. De gemeente voert daartegen verweer.
Voorafgaand aan het inhoudelijke oordeel stelt de voorzieningenrecht vast dat eiser ontvankelijk is in zijn vordering en er sprake is van een spoedeisend belang. In beide gevallen weegt de voorzieningenrecht mee dat de verkoop van het perceel maakt dat eiser het perceel niet meer kan verkrijgen of naar de aankoop daarvan kan mededingen.
Na bespreking van het juridisch kader van arresten Didam I en Didam II, gaat de voorzieningenrechter in op de criteria gehanteerd door de gemeente.
Allereerst stelt de voorzieningenrecht vast dat de gemeente in ieder geval vanaf 11 augustus 2025 weet ervan had dat eiser geïnteresseerd was in de aankoop van het perceel, hetgeen eiser een potentiële gegadigde maakte. Het gelijkheidsbeginsel brengt daarbij – in beginsel – mee dat de gemeente (1) objectieve, toetsbare en redelijke criteria moet opstellen op basis waarvan de koper wordt geselecteerd en (2) de gegadigden tijdig moet informeren over de selectieprocedure en -criteria die gelden. Dit heeft de gemeente nagelaten.
Vervolgens toetst de voorzieningenrechter de drie door de gemeente aangehaalde redenen om zich op het standpunt te stellen dat de projectontwikkelaar de serieuze enige gegadigde voor aankoop van het perceel zou zijn.
Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrecht het de gemeente verbiedt om het perceel zonder het doorlopen van een non-discriminatoire inschrijvings- en selectieprocedure aan de hand van objectieve toetsbare en redelijke criteria waaruit een koper kan worden geselecteerd.
Deze uitspraak onderstreept nogmaals het belang voor overheidsorganen zorgvuldig te werk te gaan bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten, zélfs indien het gaat om de verkoop van grond aan de enige naastgelegen eigenaar. De toekomst zal uitwijzen of er nog hoger beroep tegen deze uitspraak wordt ingesteld en zo ja, of het oordeel van de voorzieningenrechter stand zal gaan houden.
Door het leggen van conservatoir (derden) beslag worden vermogensbestanddelen van een wederpartij per direct bevroren. Er kan geen overdracht meer plaatsvinden en in bepaalde gevallen kunnen vermogensbestanddelen zelfs elders in bewaring worden gegeven. Deze actie kan druk zetten op de wederpartij waardoor een snelle oplossing kan worden bereikt.
Beslaglegging moet wel altijd worden gevolgd door een bodem of arbitrage procedure, tenzij eerder een buitengerechtelijke oplossing wordt bereikt.
Onterecht leggen van beslag moet worden voorkomen; het kan leiden tot een schadevergoedingsactie.
Wij onderzoeken graag of dit rechtsmiddel in uw situatie tot een spoedige oplossing kan leiden.
Snel een uitspraak nodig van de rechter over een bepaalde urgente situatie? In dat geval is een kort geding een oplossing voor uw situatie. De rechter geeft een voorlopig oordeel waaraan partijen zich al dan niet op straffe van een dwangsom dienen te houden.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende juridische oplossing.
Dit is in het civiele en bestuurlijke recht de procedure die (al dan niet na hoger beroep) leidt tot een definitieve beslechting van het geschil. Anders dan in een kort geding ligt de nadruk hier veel meer op een schriftelijke uitwisseling van processtukken.
Wij onderzoeken graag of dit de aangewezen procedure is voor uw geschil.
Een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moet deze bewijzen. Voorafgaand aan iedere gewenste procedure moet derhalve de bewijspositie worden bekeken.
Soms is het bewijs nog niet voldoende in handen van de cliënt. In dat geval is nadere actie gewenst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het instellen van een (voorlopig) getuigenverhoor of het afdwingen van het verkrijgen van inzage in bepaalde documenten die zich bij de wederpartij bevinden (exhibitieplicht).
Wij zoeken graag met u naar de mogelijkheden om uw bewijsprobleem op te lossen.
Soms ontstaat er in een onderneming een intern geschil tussen aandeelhouders of tussen het bestuur en (enkele) aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de te volgen strategie van de onderneming. In dat geval kan aan de Ondernemingskamer, een speciaal daarvoor geëquipeerde afdeling van het Hof Amsterdam -- bij ons kantoor om de hoek -- een onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming worden gevraagd. Zo'n onderzoek kan worden voorafgegaan door het vragen van voorlopige voorzieningen, zoals het schorsen van een bestuurder voor de duur van de procedure of het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van een aandeelhouder.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende oplossing.