Praktijkgebieden: Arbeidsrecht
Vrouwen verdienen in Nederland nog altijd minder dan mannen, ook als ze gelijk(waardig) werk doen. Het wetsvoorstel implementatie Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen, dat op 26 maart 2025 is gepubliceerd voor internetconsultatie, moet hier verandering in gaan brengen. Het wetsvoorstel voorziet in de implementatie van de Europese Richtlijn loontransparantie tussen mannen en vrouwen en verplicht werkgevers om maatregelen te nemen om het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen in gelijk werk te verhelpen. De ondernemingsraad gaat hierbij een belangrijke rol spelen.
Dat vrouwen nog altijd minder verdienen dan mannen blijkt uit een onderzoek van het CBS uit 2022. Dit onderzoek wijst uit dat het uurloon van vrouwen in het bedrijfsleven 16.4% lager ligt dan dat van mannen. Ook als corrigerende factoren worden meegenomen, zoals opleidingsniveau, het feit dat vrouwen vaker in deeltijd werken, vrouwen minder vaak topposities bekleden en oververtegenwoordigd zijn in beroepen die lager betaald worden, is dit verschil nog altijd bijna 7%. In hun hele werkende leven verdienen vrouwen in Nederland € 300.000 bruto minder dan mannen.
Om deze genderloonkloof – het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen in gelijk werk – te dichten is op 6 juni 2023 de Europese Richtlijn Loontransparantie in werking getreden. Deze richtlijn beoogt met diverse maatregelen meer loontransparantie te creëren. Een beloningsverschil tussen mannen en vrouwen blijft namelijk (ook) in stand omdat vrouwen simpelweg niet weten dat hun mannelijke collega’s meer verdienen voor gelijk of gelijkwaardig werk. Lidstaten hebben tot 7 juni 2026 om de richtlijn om te zetten naar nationale wetgeving, zo ook Nederland. Op 26 maart 2025 is daarom het (concept) wetsvoorstel gepubliceerd voor internetconsultatie.
Transparantieverplichtingen voor alle werkgevers
Het wetsvoorstel geldt voor alle werkgevers, ongeacht de grootte van de organisatie. Een deel van de maatregelen uit het wetsvoorstel geldt daarnaast ook voor sollicitanten. De belangrijkste maatregelen zijn:
Verplichte rapportage voor werkgever vanaf 100 werknemer
Naast deze transparantieverplichtingen, geldt voor werkgevers van 100 of meer werknemers ook een rapportageplicht. Vanaf 2026 moet deze groep werkgevers rapporteren over het beloningsverschil (ook in aanvullende en variabele componenten) tussen de mannelijke en vrouwelijke werknemers. Deze rapportage wordt vervolgens gedeeld met de werknemers en de werknemersvertegenwoordigers en gepubliceerd op een openbare website. Ook kunnen de Arbeidsinspectie en het College voor de Rechten van de Mens deze informatie opvragen.
De frequentie van de rapportageplicht is afhankelijk van de omvang van de werkgever en is als volgt opgebouwd:
Blijkt uit deze rapportage vervolgens een loonverschil dat niet objectief valt te rechtvaardigen, dan is de werkgever verplicht maatregelen te nemen om elk loonverschil actief te verhelpen. Ook als dat verschil minimaal is.
Als het loonverschil 5% of meer is en niet binnen zes maanden is verholpen, dan moet de werkgever een beloningsevaluatie uitvoeren. Deze evaluatie bevat een nadere analyse van (de oorzaken van) de genderloonkloof en een plan van aanpak met oplossingen. De uitkomst moet daarna gedeeld worden met de werknemers.
Medezeggenschap: de rol van de OR
Voor de OR is een grote rol weggelegd bij de uitvoering van bovengenoemde verplichtingen. De belangrijkste bijdragen van de OR zijn:
Transparantieverplichtingen:
Rapportageplicht:
Maatregelen:
Als overigens een cao van toepassing is, dan kunnen de vakbonden de rol van de ondernemingsraad overnemen.
Verschuiving van de bewijslast, compensatie en toezicht Arbeidsinspectie
Als een werkgever zich niet houdt aan de bovengenoemde transparantieverplichtingen of aan de rapportageplicht, geldt een rechtsvermoeden van loondiscriminatie. In dat geval is het aan de werkgever om aan te tonen dat de regels over gelijke beloning en loontransparantie wél zijn nageleefd.
Een gediscrimineerde werknemer kan compensatie claimen. Deze compensatie omvat naast achterstallige beloning, ook compensatie voor het verlies van kansen en immateriële schade. Daarnaast kan een werknemer zich tot de civiele rechter wenden met een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad.
De Arbeidsinspectie is belast met toezicht op en handhaving van de verplichtingen uit het wetsvoorstel. Bij overtreding kan de Arbeidsinspectie boetes tot € 10.300 per overtreding opleggen of een last onder dwangsom om de overtredende werkgever ertoe te bewegen de verplichtingen alsnog na te leven. De oplegging van een boete of het geven van een waarschuwing, moet de Arbeidsinspectie vervolgens ook openbaar maken.
Tot 7 mei 2025 kan inhoudelijk gereageerd worden op de internetconsultatie van het wetsvoorstel. Daarna zal de ministerraad het voorstel (al dan niet in aangepaste vorm) indienen bij de Tweede Kamer. Uiterlijk op 7 juni 2026 moet het wetsvoorstel zijn aangenomen.
Vanaf inwerkingtreding zullen alle werkgevers de bovengenoemde transparantieverplichtingen moeten naleven. De rapportageverplichting geldt al vanaf 7 juni 2027 voor werkgevers met 150 of meer werknemers en vanaf 7 juni 2030 voor werkgevers met 100 tot 149 werknemers.
Door het leggen van conservatoir (derden) beslag worden vermogensbestanddelen van een wederpartij per direct bevroren. Er kan geen overdracht meer plaatsvinden en in bepaalde gevallen kunnen vermogensbestanddelen zelfs elders in bewaring worden gegeven. Deze actie kan druk zetten op de wederpartij waardoor een snelle oplossing kan worden bereikt.
Beslaglegging moet wel altijd worden gevolgd door een bodem of arbitrage procedure, tenzij eerder een buitengerechtelijke oplossing wordt bereikt.
Onterecht leggen van beslag moet worden voorkomen; het kan leiden tot een schadevergoedingsactie.
Wij onderzoeken graag of dit rechtsmiddel in uw situatie tot een spoedige oplossing kan leiden.
Snel een uitspraak nodig van de rechter over een bepaalde urgente situatie? In dat geval is een kort geding een oplossing voor uw situatie. De rechter geeft een voorlopig oordeel waaraan partijen zich al dan niet op straffe van een dwangsom dienen te houden.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende juridische oplossing.
Dit is in het civiele en bestuurlijke recht de procedure die (al dan niet na hoger beroep) leidt tot een definitieve beslechting van het geschil. Anders dan in een kort geding ligt de nadruk hier veel meer op een schriftelijke uitwisseling van processtukken.
Wij onderzoeken graag of dit de aangewezen procedure is voor uw geschil.
Een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moet deze bewijzen. Voorafgaand aan iedere gewenste procedure moet derhalve de bewijspositie worden bekeken.
Soms is het bewijs nog niet voldoende in handen van de cliënt. In dat geval is nadere actie gewenst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het instellen van een (voorlopig) getuigenverhoor of het afdwingen van het verkrijgen van inzage in bepaalde documenten die zich bij de wederpartij bevinden (exhibitieplicht).
Wij zoeken graag met u naar de mogelijkheden om uw bewijsprobleem op te lossen.
Soms ontstaat er in een onderneming een intern geschil tussen aandeelhouders of tussen het bestuur en (enkele) aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de te volgen strategie van de onderneming. In dat geval kan aan de Ondernemingskamer, een speciaal daarvoor geëquipeerde afdeling van het Hof Amsterdam -- bij ons kantoor om de hoek -- een onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming worden gevraagd. Zo'n onderzoek kan worden voorafgegaan door het vragen van voorlopige voorzieningen, zoals het schorsen van een bestuurder voor de duur van de procedure of het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van een aandeelhouder.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende oplossing.