icon

Vrouwelijke rechters ongelijk beloond: College oordeelt dat de Staat heeft gediscrimineerd

Een opmerkelijke uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens over ongelijke beloning onder rechters. Het College heeft op 5 maart 2026 geoordeeld dat de Nederlandse Staat vrouwelijke rechters in opleiding heeft gediscrimineerd met het inschalings- en beloningsbeleid tussen 1994 en 1 juli 2023. Door dit beleid kregen vrouwelijke rechters structureel minder betaald.

De kern van het geschil: beloning gebaseerd op het eerder verdiende salaris van rechters

De kern van het geschil draait om het inschalings- en beloningsbeleid voor rechters dat de Staat van 1994 tot en met 1 juli 2023 hanteerde. Met dit beleid bepaalde de Staat het salaris van rechters aan de hand van hun laatstverdiende salaris vóór de overstap naar de rechterlijke macht.

Bureau Clara Wichmann stelt dat dit ‘laatstverdiend salaris’ criterium een discriminerend effect heeft, omdat vrouwen gemiddeld een lager laatstverdiend salaris hebben dan mannen. Bureau Clara Wichmann baseert zich op het onderzoeksrapport van Erasmus Q-intelligence waarin de beloningsverschillen binnen de rechtspraak zijn onderzocht. Uit dit onderzoek volgt dat vrouwelijke rechters in opleiding gemiddeld 3,5% minder verdienen dan hun mannelijke collega’s in opleiding en dat dit gemiddelde beloningsverschil toeneemt naarmate de leeftijdscategorieën hoger worden. Stichting Bureau Clara Wichmann heeft het College daarom verzocht te beoordelen of de Staat vrouwelijke rechters discrimineert door het criterium ‘laatstverdiend salaris’ te hanteren in het inschalings- en bezoldigingsbeleid.

De beoordeling door het College

Het College heeft de inschalings- en beloningssystematiek beoordeeld over de periode waarin het criterium van het ‘laatstverdiend salaris’ werd toegepast, namelijk van 1994 tot en met 1 juli 2023. Rechters worden op twee momenten ingeschaald: eerst bij de start van hun opleiding en vervolgens opnieuw bij hun benoeming tot rechter. Het College beoordeelde deze twee momenten afzonderlijk.

Inschaling van rechters in opleiding: discriminatie

Allereerst heeft het College overwogen dat het ‘laatstverdiend salaris’-criterium onvoldoende ruimte biedt voor de waardering van relevante ervaring en weinig zegt over de waarde van de arbeid in de nieuwe functie. Een jurist met vijftien jaar werkervaring in de sociale advocatuur verdient in de regel immers minder dan een jurist een advocaat uit de commerciële advocatuur met zes jaar werkervaring. Het hanteren van dit criterium leidt daarom gemakkelijk tot ongerechtvaardigde beloningsverschillen.

Daarnaast oordeelt het College dat uit het onderzoeksrapport van Erasmus Q-intelligence een vermoeden van indirect onderscheid op grond van geslacht volgt. Een indirect onderscheid is verboden, tenzij daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Daarvoor moet het doel legitiem zijn – dus eerlijk en verdedigbaar –, en moet het middel dat wordt ingezet passend en noodzakelijk zijn. De Staat dient dit dus te onderbouwen. Zij stelt dat het beleid beoogde een inkomensachteruitgang te voorkomen voor overstappers naar de rechterlijke macht en om voldoende geschikte rechters aan te trekken. 

Het College beoordeelt dat deze doelen legitiem zijn. Ook oordeelt het College dat het gebruik van het criterium van het ‘laatstverdiend salaris’ een passend middel is om kandidaten aan te trekken. Maar het middel was volgens het College echter niet noodzakelijk. Daarvan is namelijk pas sprake als het doel niet met andere, minder onderscheid makende middelen kan worden bereikt. In dit geval had de Staat wel degelijk andere maatregelen kunnen inzetten die minder onderscheid maken. Gedacht kan worden aan een algemene verhoging van salarissen, beter inspelen op arbeidsmarktomstandigheden door de capaciteitsbehoefte inzichtelijk te maken en/of het toepassen van een tijdelijke toeslag in periodes van grote tekorten.

Het College concludeert daarom dat de Staat het gemaakte onderscheid niet kon rechtvaardigen en dat vrouwelijke rechters in opleiding dus gediscrimineerd werden bij het bepalen van hun salaris.   

Inschaling bij benoeming tot rechter: geen discriminatie

Ook bij de benoeming van rechters, dus na het afronden van de opleiding tot rechter, wordt het ‘laatstverdiend salaris’ criterium toegepast. Het College moest daarom beoordelen of ook op dit moment sprake was van discriminatie van de vrouwelijke rechters. De Staat verdedigde dit met de stelling dat eventuele beloningsverschillen na de opleiding, bij de benoeming tot rechter, worden rechtgetrokken. Als onderbouwing wijst zij naar het onderzoeksrapport van Erasmus Q-intelligence. Uit dit rapport blijkt dat er geen beloningsverschil meer bestaat bij benoeming van de rechters. Het College is het daarom eens met de Staat en oordeelt dat bij de benoeming van rechters geen statistisch significant beloningsverschil bestaat. Het College concludeert daarom dat geen vermoeden van discriminatie bestaat van vrouwelijke rechters na hun benoeming tot rechter.

Betekenis voor de praktijk

Oordelen van het College zijn niet juridisch bindend. Dit betekent dat de Staat niet verplicht is de vrouwelijke rechters te compenseren. Het ligt echter wel op de weg van de Staat om te kijken naar mogelijkheden voor financiële compensatie. Overigens geldt sinds 1 juli 2023 een nieuw inschalings- en beloningsbeleid. Met dit nieuwe beleid wordt binnen de rechterlijke macht niet langer gevraagd naar het laatstverdiende loon.

Heeft u vragen?

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Vrouwelijke rechters ongelijk beloond: College oordeelt dat de Staat heeft gediscrimineerd
Praktijkgebieden blogs
Auteurfilter blog