Praktijkgebieden: Bestuurdersaansprakelijkheid
Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Neem bijvoorbeeld de bestuurdersaansprakelijkheid wegens schending van de Ontvanger/Roelofsen-norm (HR 8 december 2006): een bestuurder van een vennootschap handelt onrechtmatig jegens een schuldeiser, als hij bewerkstelligt of toelaat dat die vennootschap haar verplichtingen niet nakomt én ter zake ook geen verhaal biedt én hem daarvan een ernstig verwijt treft. Kort gezegd gaat het om frustratie van betaling en verhaal.
De schuldeiser die een vordering instelt op basis van het bovenstaande heeft een vergaande bewijslast. In een recent arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden kwamen de schuldeisers er naar mijn idee vrij gemakkelijk vanaf.
De casus luidt als volgt. Een uitzendbureau werd aangesproken door de Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten voor de nabetaling van verplichtingen uit de CAO ten behoeve van de uitzendkrachten. Een bedrag van meer dan 5 ton werd door de rechtbank toegewezen. Het uitzendbureau betaalde de vordering niet. Even later werd het uitzendbureau opgeheven en richtte dezelfde bestuurder een ander uitzendbureau op. De overeenkomsten tussen beide uitzendbureaus waren opvallend. Beide bureaus waren gevestigd op hetzelfde adres, hadden dezelfde enig bestuurder, praktisch dezelfde handelsnaam, het merendeel van de werknemers van het opgeheven bureau waren overgegaan naar het nieuwe, de klanten die eerst bediend werden door het opgeheven bureau werden later bediend door het nieuwe en tenslotte overtraden beide bureaus op dezelfde wijze de toepasselijke CAO.
Hier was sprake van overgang van onderneming, wat meebrengt dat van rechtswege alle verplichtingen die voortvloeiden uit de arbeidsovereenkomsten tussen het opgeheven bureau en haar werknemers zijn overgegaan naar het nieuwe bureau. De vordering van 5 ton zag grotendeels op achterstallig salaris, waarmee het nieuwe bureau als verkrijgende onderneming gehouden was de vordering te voldoen. Deze bood uiteraard ook geen verhaal en de Stichting sprak namens de werknemers de enig bestuurder van beide bureaus aan.
De Stichting moest daarvoor aan de (zware) bewijslast voldoen, namelijk dat die bestuurder onrechtmatig jegens de werknemers had gehandeld, doordat hij had bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakwam én ter zake ook geen verhaal bood én hem daarvan een ernstig verwijt treft. Bovendien moet ten slotte nog worden bewezen dat er causaal verband is tussen de bewezen schade en zijn handelen.
De Stichting toonde aan dat:
Het hof concludeerde dat deze feiten de conclusie wettigen dat de bestuurder de activiteiten van het bureau alleen heeft beëindigd teneinde te ontkomen aan de nakoming van het vonnis. Dat doel heeft hij getracht te bereiken door de uitzendactiviteiten voort te zetten in een andere rechtspersoon, waarvan hij ook bestuurder was, door onduidelijkheid te laten bestaan over de ontbinding van het eerste bureau en het daarin aanwezige eigen vermogen en door op geen enkele wijze te laten blijken dat hij, desondanks, aan de werknemers van het bureau alsnog wilde voldoen hetgeen hun aan salaris was onthouden. Uit dit handelen blijkt dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem mede als bestuurder van het nieuwe bureau bewerkstelligde handelwijze van het eerste bureau tot gevolg zou hebben dat dit zijn verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Dat handelen als bestuurder van zowel het eerste bureau als het nieuwe ten opzichte van de Stichting en de werknemers, is in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig, dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het hof wijst de integrale vordering van 5 ton toe.
Het lijkt er op dat het hof hier de onduidelijkheid die de bestuurder heeft gecreëerd gebruikt als een aanwijzing dat sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt waarbij hij aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Het hof gaat in het geheel niet in op de hoogte van de schade en de relatie tot het specifieke handelen van de bestuurder. Wij zien in vergelijkbare zaken dat onduidelijkheid juist de schuldeisers opbreekt in hun bewijslast. Wellicht dat de sympathie voor de werknemers de doorslag heeft gegeven?
Overigens vond ik op internet het faillissementsverslag van het nieuwe bureau. Daaruit blijkt dat de bestuurder ook voor de curator veel onduidelijkheid laat bestaan doordat de (financiële) administratie onvindbaar is.
Maartje Oliemans-Ouwehand is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot onderstaande contactpersoon van het praktijkgebied bestuurdersaansprakelijkheid.
Door het leggen van conservatoir (derden) beslag worden vermogensbestanddelen van een wederpartij per direct bevroren. Er kan geen overdracht meer plaatsvinden en in bepaalde gevallen kunnen vermogensbestanddelen zelfs elders in bewaring worden gegeven. Deze actie kan druk zetten op de wederpartij waardoor een snelle oplossing kan worden bereikt.
Beslaglegging moet wel altijd worden gevolgd door een bodem of arbitrage procedure, tenzij eerder een buitengerechtelijke oplossing wordt bereikt.
Onterecht leggen van beslag moet worden voorkomen; het kan leiden tot een schadevergoedingsactie.
Wij onderzoeken graag of dit rechtsmiddel in uw situatie tot een spoedige oplossing kan leiden.
Snel een uitspraak nodig van de rechter over een bepaalde urgente situatie? In dat geval is een kort geding een oplossing voor uw situatie. De rechter geeft een voorlopig oordeel waaraan partijen zich al dan niet op straffe van een dwangsom dienen te houden.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende juridische oplossing.
Dit is in het civiele en bestuurlijke recht de procedure die (al dan niet na hoger beroep) leidt tot een definitieve beslechting van het geschil. Anders dan in een kort geding ligt de nadruk hier veel meer op een schriftelijke uitwisseling van processtukken.
Wij onderzoeken graag of dit de aangewezen procedure is voor uw geschil.
Een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moet deze bewijzen. Voorafgaand aan iedere gewenste procedure moet derhalve de bewijspositie worden bekeken.
Soms is het bewijs nog niet voldoende in handen van de cliënt. In dat geval is nadere actie gewenst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het instellen van een (voorlopig) getuigenverhoor of het afdwingen van het verkrijgen van inzage in bepaalde documenten die zich bij de wederpartij bevinden (exhibitieplicht).
Wij zoeken graag met u naar de mogelijkheden om uw bewijsprobleem op te lossen.
Soms ontstaat er in een onderneming een intern geschil tussen aandeelhouders of tussen het bestuur en (enkele) aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de te volgen strategie van de onderneming. In dat geval kan aan de Ondernemingskamer, een speciaal daarvoor geëquipeerde afdeling van het Hof Amsterdam -- bij ons kantoor om de hoek -- een onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming worden gevraagd. Zo'n onderzoek kan worden voorafgegaan door het vragen van voorlopige voorzieningen, zoals het schorsen van een bestuurder voor de duur van de procedure of het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van een aandeelhouder.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende oplossing.