Praktijkgebieden: Ondernemingsrecht
Deze keer aandacht voor een opvallend vonnis van de rechtbank Haarlem (24 februari 2010) waarin de voorzieningenrechter de verliezende partijen tot een hoger bedrag in de proceskosten veroordeeld dan hetgeen gebruikelijk is. De proceskostenveroordeling dient ter compensatie van de kosten die de winnende partij heeft maken. Het is niet zo dat de kosten die de winnende partij heeft moeten maken voor een advocaat volledig worden vergoed. Het salaris van de advocaat wordt volgens een bepaald tarief begroot en het bedrag van de proceskostenveroordeling wordt bepaald door de werkzaamheden die zijn verricht en het belang van de zaak. De tarieven zijn niet bindend, maar worden in beginsel door de gerechten gevolgd. De rechter in Haarlem zag in deze zaak echter redenen om gemotiveerd af te wijken van het gebruikelijke tarief. Waar gaat het over? In kort geding vragen een omwonendenvereniging en een regionale en landelijke stichting (die ik gemakshalve verder aanduid als ‘de omwonenden’) de civiele rechter te oordelen dat het verlenen van toestemming door de gemeente voor de kap van 255 bomen waarvoor een kapvergunning is verleend en het daadwerkelijk gebruik maken van die kapvergunning onrechtmatig is. De kapvergunning is verleend aan een projectontwikkelaar, die met de gemeente een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten voor de herontwikkeling van een terrein in de gemeente Bloemendaal (‘het Marinehospitaal’). Op het terrein zullen woningen worden gebouwd. De daarvoor vereiste bouwvergunningen zijn verleend.
Tegen het besluit tot verlening van de kapvergunning, alsmede tegen de verleende bouwvergunningen, hebben de omwonenden tot in hoogste instantie bij de bestuursrechter geprocedeerd. Tevergeefs, want zowel de kapvergunning als de bouwvergunningen zijn in stand gebleven. Direct na de uitspraak in hoger beroep krijgt de projectontwikkelaar desgevraagd op grond van de samenwerkingsovereenkomst toestemming van de gemeente om te gaan kappen. Hiertegen spannen de omwonenden een kort geding aan. Een argument van de omwonenden is dat uit de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente en de projectontwikkelaar volgt dat pas mag worden gekapt als is gebleken dat 70% van de koopwoningen is verkocht. Deze opvatting wordt niet door de rechter gedeeld: uit de samenwerkingsovereenkomst volgt dat de ontwikkelaar verplicht is te starten met de bouw zodra het genoemde percentage woningen is verkocht, maar niet dat hij niet eerder kan starten met de bouw.
De omwonenden beroepen zich verder op een artikel uit het regionale weekblad, verschenen een dag nadat de toestemming om te gaan kappen is verleend, waarin de wethouder wordt geciteerd. Volgens het citaat zou de wethouder hebben gezegd dat er niet met zaken wordt begonnen die niet meer kunnen worden teruggedraaid voordat zeker is dat de bouw doorgaat. Voor zover uit het vonnis kan worden afgeleid weerspreekt de gemeente niet dat de wethouder zich aldus heeft uitgelaten, maar stelt zij dat de wethouder zijn uitspraak in een andere context heeft gedaan en bovendien niet namens het college van burgemeester en wethouders, zodat geen sprake is van een toezegging. De rechter vindt dat onvoldoende is komen vast te staan dat een toezegging zoals de omwonenden die stellen is gedaan en dat daarentegen wel is komen vast te staan dat de gemeente aan de ontwikkelaar heeft toegezegd dat deze met de kap mag aanvangen. Afgaand op de feiten zoals die in het vonnis staan vermeld, kan ik me vinden in het oordeel van de rechter. De op grond van de samenwerkingsovereenkomst vereiste toestemming om te beginnen met kappen is door de gemeenteraad rechtstreeks en uitdrukkelijk aan de projectontwikkelaar verleend. Een citaat opgenomen in een nadien verschenen krant, is, nog afgezien van de vraag of de uitlating volstrekt juist is weergegeven, niet rechtstreeks gericht tot de omwonenden. Voorts is de kapvergunning na de uitspraak in hoger beroep onaantastbaar geworden en zijn ook de verleende bouwvergunningen onaantastbaar. De burgerlijke rechter dient volgens de regels van de rechtsmachtverdeling tussen burgerlijke rechter en bestuursrechter het rechtsoordeel van de bestuursrechter te respecteren en mag niet oordelen over de inhoud van een besluit. Dat behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de bestuursrechter. Overigens is het niet ongebruikelijk dat in kapvergunningen die in het kader van dit soort projecten worden verleend als voorwaarde is opgenomen dat pas met kappen mag worden begonnen als de benodigde bouwvergunning is verleend en onherroepelijk is geworden. Of een dergelijke voorwaarde, die erop gericht is onomkeerbare ontwikkelingen te voorkomen, in de kapvergunning was opgenomen blijkt niet uit het vonnis. Hoe dan ook, in deze zaak waren ook de bouwvergunningen al verleend en onherroepelijk geworden.
De vorderingen van de omwonenden worden afgewezen, maar het venijn zit in de staart. De rechter overweegt namelijk dat de omwonenden de procedure klaarblijkelijk alleen maar zijn gestart om de woningbouwplannen verder op te houden, waarmee zij de gemeenschap op onnodige kosten hebben gejaagd. Voorts geeft hij aan dat de zitting op korte termijn is gepland omdat omwonenden stelden dat sprake was van grote spoedeisendheid, waardoor – meer nog dan gewoonlijk al het geval is – de gebruikelijke kostenveroordeling volstrekt ontoereikend zal zijn om de daadwerkelijke proceskosten te dekken. Daarom veroordeelt de rechter de omwonenden voor wat betreft de advocaatkosten van de gemeente tot het driedubbele van het gebruikelijke bedrag. Deze ‘tik op de vingers’ wordt alleen uitgedeeld middels de kostenveroordeling jegens de gemeente. De extra kosten die de ontwikkelaar heeft moeten maken behoren tot het ondernemersrisico.
Een ongebruikelijke kostenveroordeling, maar de rechter heeft naar mijn mening zijn beslissing voldoende gemotiveerd en heeft een punt waar het echt nodeloos procederen betreft.
Cathine Knijff is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot onderstaande contactpersoon van het praktijkgebied handel- en ondernemingsrecht.
Door het leggen van conservatoir (derden) beslag worden vermogensbestanddelen van een wederpartij per direct bevroren. Er kan geen overdracht meer plaatsvinden en in bepaalde gevallen kunnen vermogensbestanddelen zelfs elders in bewaring worden gegeven. Deze actie kan druk zetten op de wederpartij waardoor een snelle oplossing kan worden bereikt.
Beslaglegging moet wel altijd worden gevolgd door een bodem of arbitrage procedure, tenzij eerder een buitengerechtelijke oplossing wordt bereikt.
Onterecht leggen van beslag moet worden voorkomen; het kan leiden tot een schadevergoedingsactie.
Wij onderzoeken graag of dit rechtsmiddel in uw situatie tot een spoedige oplossing kan leiden.
Snel een uitspraak nodig van de rechter over een bepaalde urgente situatie? In dat geval is een kort geding een oplossing voor uw situatie. De rechter geeft een voorlopig oordeel waaraan partijen zich al dan niet op straffe van een dwangsom dienen te houden.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende juridische oplossing.
Dit is in het civiele en bestuurlijke recht de procedure die (al dan niet na hoger beroep) leidt tot een definitieve beslechting van het geschil. Anders dan in een kort geding ligt de nadruk hier veel meer op een schriftelijke uitwisseling van processtukken.
Wij onderzoeken graag of dit de aangewezen procedure is voor uw geschil.
Een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moet deze bewijzen. Voorafgaand aan iedere gewenste procedure moet derhalve de bewijspositie worden bekeken.
Soms is het bewijs nog niet voldoende in handen van de cliënt. In dat geval is nadere actie gewenst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het instellen van een (voorlopig) getuigenverhoor of het afdwingen van het verkrijgen van inzage in bepaalde documenten die zich bij de wederpartij bevinden (exhibitieplicht).
Wij zoeken graag met u naar de mogelijkheden om uw bewijsprobleem op te lossen.
Soms ontstaat er in een onderneming een intern geschil tussen aandeelhouders of tussen het bestuur en (enkele) aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de te volgen strategie van de onderneming. In dat geval kan aan de Ondernemingskamer, een speciaal daarvoor geëquipeerde afdeling van het Hof Amsterdam -- bij ons kantoor om de hoek -- een onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming worden gevraagd. Zo'n onderzoek kan worden voorafgegaan door het vragen van voorlopige voorzieningen, zoals het schorsen van een bestuurder voor de duur van de procedure of het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van een aandeelhouder.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende oplossing.