Praktijkgebieden: Vennootschapsrecht
De prijzenoorlog in de supermakt blijft voor opschudding zorgen, bij zowel consumenten als fabrikanten. Inmiddels zijn de gevolgen van de prijzenoorlog breed merkbaar en zijn zelfs schermutselingen waargenomen in de rechtszaal. Waarschijnlijk heeft u uit de kranten wel vernomen dat koekfabrikant Peijnenburg weigerde nog langer haar 600-gramskoek te leveren aan Albert Heijn, die de bewuste koek onder haar inkoopprijs in de schappen wilde leggen. Albert Heijn spande een kort geding aan tegen Peijnenburg en vorderde dat deze de leveringen weer zou hervatten. De Voorzieningenrechter in Den Bosch wees de vordering echter af.
Waarom wilde eigenlijk Peijnenburg niet meer leveren, lijkt een eerste – en terechte – vraag. Immers, zolang Albert Heijn maar de gevraagde inkoopprijs aan Peijnenburg betaalt, moet Albert Heijn vervolgens toch zelf weten voor welke prijs zij de koek in haar schappen legt ? Maar die vlieger gaat in dit geval niet op. Kennelijk had Albert Heijn een verzoek aan Peijnenburg gedaan – zoals aan wel meer producenten – dat er op neer komt dat Peijnenburg de door Albert Heijn doorgevoerde prijsverlagingen voor eigen rekening moest nemen. Daarnaast, en wellicht belangrijker, stelde de Voorzieningenrechter vast dat de bewuste 600-gramskoek onderdeel uitmaakt van het vaste “prijsvergelijkingsmandje” van de Consumentenbond. Alle supermarkten willen (moeten?) dit hele mandje in hun assortiment hebben, en zij zijn bereid om deze producten met verlies te verkopen. Kennelijk worden die verliezen wel weer goed gemaakt met de verkoop van andere producten die niet in het mandje zitten. Maar er is een catch: de producten van het mandje hoeven maar in kleine hoeveelheden in de schappen te liggen om mee te tellen. En omdat ook supermarkten liever geen producten verkopen met verlies, kopen zij minimale hoeveelheden in van de bewuste 600-gramskoek en dus wordt Peijnenburg geconfronteerd met dalende verkopen van een product dat volgens eigen zeggen – en kennelijk niet betwist – succesvol is. En Peijnenburg kan natuurlijk wel die dalende verkopen voorkomen door haar prijs te verlagen, maar dan komt het moment in zicht dat Peijnenburg met verlies moet verkopen. En dat is, aldus de Voorzieningenrechter, natuurlijk niet aanvaardbaar voor Peijnenburg.
De op het eerste gezicht opgeworpen vraag kan ook worden beantwoord met een tegenvraag. Peijnenburg mag toch leveren aan wie zij wil ? En dat laatste wordt ook bevestigd door de Voorzieningenrechter, die daar wel aan toevoegt dat na zoveel jaren vast leverancierschap Peijnenburg een redelijke opzegtermijn in acht moet nemen. Maar omdat het voortbestaan van de 600-gramskoeken in gevaar komt door de verkopen onder de inkoopprijs, en omdat niet te verwachten valt dat Albert Heijn op korte termijn haar prijsbeleid zal wijzigen, hoeft Peijnenburg die opzegtermijn niet in acht te nemen en mag zij met onmiddellijke ingang stoppen met de levering van de 600-gramskoeken.
Naast de juridische elementen, geeft deze uitspraak een interessante kijk in de supermarkt-keuken en bijbehorende prijzenslag. In de uitspraak wordt een lange email aangehaald, waarin e.e.a. uitgebreid wordt beschreven. Opvallend is de passage over het verzoek van Albert Heijn aan de producenten om de prijsverlagingen voor hun rekening te nemen. Wellicht is de prijzenoorlog leuk voor de consument, maar kennelijk minder leuk voor de producenten die volgens eigen zeggen “worden uitgeknepen”. Peijnenburg had bijvoorbeeld al één van haar vier fabrieken moeten sluiten en had haar overheadkosten al met 8% verlaagd. En de macht van de Consumentenbond is opvallend. Supermarkten verkopen liever onder de prijs om een gunstige uitslag te krijgen in de Consumentenbond-vergelijkingen, dan dat zij geld verdienen aan ontbijtkoek. Het imago als prijsvechter is kennelijk heel veel waard in de wereld van supermarkten.
Jonathan Barth is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot onderstaande contactpersoon van het praktijkgebied vennootschapsrecht.
Door het leggen van conservatoir (derden) beslag worden vermogensbestanddelen van een wederpartij per direct bevroren. Er kan geen overdracht meer plaatsvinden en in bepaalde gevallen kunnen vermogensbestanddelen zelfs elders in bewaring worden gegeven. Deze actie kan druk zetten op de wederpartij waardoor een snelle oplossing kan worden bereikt.
Beslaglegging moet wel altijd worden gevolgd door een bodem of arbitrage procedure, tenzij eerder een buitengerechtelijke oplossing wordt bereikt.
Onterecht leggen van beslag moet worden voorkomen; het kan leiden tot een schadevergoedingsactie.
Wij onderzoeken graag of dit rechtsmiddel in uw situatie tot een spoedige oplossing kan leiden.
Snel een uitspraak nodig van de rechter over een bepaalde urgente situatie? In dat geval is een kort geding een oplossing voor uw situatie. De rechter geeft een voorlopig oordeel waaraan partijen zich al dan niet op straffe van een dwangsom dienen te houden.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende juridische oplossing.
Dit is in het civiele en bestuurlijke recht de procedure die (al dan niet na hoger beroep) leidt tot een definitieve beslechting van het geschil. Anders dan in een kort geding ligt de nadruk hier veel meer op een schriftelijke uitwisseling van processtukken.
Wij onderzoeken graag of dit de aangewezen procedure is voor uw geschil.
Een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moet deze bewijzen. Voorafgaand aan iedere gewenste procedure moet derhalve de bewijspositie worden bekeken.
Soms is het bewijs nog niet voldoende in handen van de cliënt. In dat geval is nadere actie gewenst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het instellen van een (voorlopig) getuigenverhoor of het afdwingen van het verkrijgen van inzage in bepaalde documenten die zich bij de wederpartij bevinden (exhibitieplicht).
Wij zoeken graag met u naar de mogelijkheden om uw bewijsprobleem op te lossen.
Soms ontstaat er in een onderneming een intern geschil tussen aandeelhouders of tussen het bestuur en (enkele) aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de te volgen strategie van de onderneming. In dat geval kan aan de Ondernemingskamer, een speciaal daarvoor geëquipeerde afdeling van het Hof Amsterdam -- bij ons kantoor om de hoek -- een onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming worden gevraagd. Zo'n onderzoek kan worden voorafgegaan door het vragen van voorlopige voorzieningen, zoals het schorsen van een bestuurder voor de duur van de procedure of het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van een aandeelhouder.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende oplossing.