AVG of Woo? Niet de duiding, maar de inhoud van het verzoek telt
Burgers die het college om inzage in hun eigen dossier verzoeken, gaan er vaak vanuit dat zij zelf bepalen onder welk regime dat verzoek valt. De praktijk leert echter dat dit anders werkt: niet de duiding van de verzoekster, maar de bewoordingen van het verzoek zelf zijn bepalend voor de vraag of sprake is van een inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) of van een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). In haar uitspraak van 29 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4415) bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) deze lijn en laat zij zien dat deze kwalificatievraag verstrekkende gevolgen kan hebben voor de rechtsbescherming van de verzoeker.
Hoe zit het ook alweer met AVG- en Woo-verzoeken?
Onder artikel 15 AVG heeft iedere betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke te vernemen of zijn persoonsgegevens worden verwerkt en, zo ja, om inzage te krijgen in die persoonsgegevens en een aantal daaraan gerelateerde gegevens, zoals het doel van de verwerking en de bewaartermijn. Dit inzagerecht ziet dus specifiek op de eigen persoonsgegevens van de verzoeker.
Daarnaast kent de Woo een afzonderlijk regime voor verzoeken om documenten die op de verzoeker zelf betrekking hebben. Volgens artikel 5.5 Woo verstrekt een bestuursorgaan op verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende, in documenten neergelegde informatie, tenzij een van de in de wet genoemde weigeringsgronden aan de orde is. Dit is een breder regime dan de AVG: het gaat niet alleen om persoonsgegevens, maar om alle documenten die de verzoeker betreffen, en de weigeringsgronden van de Woo (artikel 5.1 en 5.2 Woo) verschillen fundamenteel van de beperkingsgronden onder de AVG. Ook de termijnen lopen uiteen: onder de AVG geldt in beginsel een reactietermijn van één maand, terwijl de Woo een beslistermijn van vier weken kent met een mogelijkheid tot verdaging. Van belang is steeds dat het bestuursorgaan het verzoek correct kwalificeert, want die kwalificatie bepaalt welk toetsingskader en welke termijnen van toepassing zijn.
Dat een verzoeker zelf aangeeft geen Woo-verzoek te doen, is daarbij niet doorslaggevend. Al in haar uitspraak van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4001) oordeelde de Afdeling dat de bewoordingen van het verzoek bepalend zijn, ook wanneer de verzoeker meent slechts inzage in eigen persoonsgegevens te willen: ging het feitelijk om documenten met informatie over meldingen en melders, dan had het college dit moeten aanmerken als een Woo-verzoek.
Wat speelde er in deze zaak?
In de zaak betrof het een verzoek om inzage in een adresonderzoek. Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg had aan verzoekster laten weten dat het voornemens was haar uit te schrijven uit de basisregistratie personen op grond van een uitgevoerd adresonderzoek. Verzoekster verzocht daarop om inzage in dat onderzoek en maakte, toen zij van mening was dat het college niet alle informatie had verstrekt, bezwaar tegen de brief waarin het dossier werd toegezonden. Het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk, omdat naar zijn mening onvoldoende duidelijk was waartegen het bezwaar zich richtte.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat het bezwaar wel voldoende was omschreven en merkte het verzoek van verzoekster aan als een AVG-inzageverzoek. Het college moest daarom een nieuw besluit op bezwaar nemen. Daaraan gaf het geen gehoor en in plaats daarvan stelde het college hoger beroep in.
Oordeel van de Afdeling
De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Interessanter is het oordeel over de kwalificatie van het verzoek. De Afdeling overweegt dat uit de bewoordingen van het verzoek blijkt dat verzoekster heeft verzocht om verstrekking van documenten die op haar betrekking hebben, namelijk documenten over het adresonderzoek in het kader van haar uitschrijving uit de basisregistratie personen. Dat betekent dat het college het verzoek had moeten aanmerken als een verzoek in de zin van artikel 5.5 Woo en niet als een AVG-verzoek, ook al had verzoekster zelf in haar verzoek vermeld dat het geen Woo-verzoek betrof. De Afdeling verwijst daarbij expliciet naar haar eerdere uitspraak van 20 augustus 2025 waarmee vaststaat dat dit geen incidentele uitleg is, maar een inmiddels bestendige lijn in de Afdelingsjurisprudentie.
Conclusie
Deze uitspraak bevestigt dat bij de kwalificatie van een verzoek om documenten of gegevens niet het etiket dat de verzoekster daarop plakt bepalend is, maar de feitelijke inhoud van het verzoek. Dat heeft praktische consequenties, want AVG- en Woo-verzoeken kennen verschillende toetsingskaders, weigeringsgronden en termijnen. Voor bestuursorganen betekent dit dat zorgvuldige lezing van een verzoek essentieel is, ook wanneer de verzoeker zelf een andere juridische kwalificatie voorstaat. De les die hieruit volgt is dat een verzoek dat als AVG-verzoek is bedoeld, alsnog in het Woo-regime kan belanden, met alle gevolgen van dien voor de te volgen procedure en de beschikbare weigeringsgronden. Het blijft dan ook raadzaam om bij het opstellen van een inzage- of informatieverzoek nauwkeurig te formuleren wat precies wordt beoogd, juist omdat de bewoordingen achteraf de doorslag kunnen geven.