icon

Turboliquidatie: einde onderneming, einde aansprakelijkheid?

Turboliquidatie is een populair instrument om rechtspersonen snel en efficiënt te ontbinden. Met een beroep op artikel 2:19 van het Burgerlijk Wetboek (“BW”) kan een rechtspersoon worden ontbonden zonder formele vereffening, mits er geen baten (meer) zijn. Juist vanwege het ontbreken van toezicht en de beperkte waarborgen voor schuldeisers, ligt misbruik op de loer. Als bestuurder heb je de verplichting tot behoorlijke vervulling van de bestuurstaak. In dit kader rijst in de praktijk regelmatig de vraag in hoeverre bestuurders persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het onbetaald laten van schuldeisers na turboliquidatie. Zo ook in de zaak die ten grondslag ligt aan een door de rechtbank Rotterdam op 11 maart 2026 gewezen vonnis (ECLI:NL:RBROT:2026:2669).

Achtergrond

In deze zaak staat het geschil centraal tussen enerzijds Holding B.V. (“Holding“) en haar enig aandeelhouder tevens bestuurder A en anderzijds Bedrijf 2 B.V. (“Bedrijf 2“) en haar grootaandeelhouder tevens bestuurder Bedrijf 1 B.V. (“Bedrijf 1“). De indirect enig aandeelhouder en middellijk bestuurder van bedrijf 1 is B. In juni 2020 heeft Holding alle aandelen in de vennootschap Forza Unita B.V. verkocht aan Bedrijf 2. In de koopovereenkomst is overeengekomen dat A vanaf de levering van de aandelen tot 4 december 2023 één dag per week beschikbaar zal blijven voor de onderneming tegen betaling van een maandelijkse beloning van € 2.500 die aan Holding op factuur zal worden betaald. Bedrijf 2 is echter vanaf oktober 2022 gestopt met betalen.

Holding heeft bij dagvaarding van 31 maart 2023 een vordering ingesteld tegen Bedrijf 2 tot nakoming van de betalingsverplichting. Op 27 juni 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Toen de rechter mondeling uitspraak wilde doen, heeft Bedrijf 2 een wrakingsverzoek gedaan waarop eerst beslist moest worden. Vervolgens is bij aandeelhoudersbesluit van 30 augustus 2024 Bedrijf 2 per die datum ontbonden met toepassing van artikel 2:19 lid 4 BW (turboliquidatie). In het aandeelhoudersbesluit wordt overwogen dat er geen baten zijn. Op 13 september 2024 zijn de formulieren als bedoeld in artikel 2:19b BW door B bij de Kamer van Koophandel ingediend. Opvallend is dat de formulieren vermelden dat alle activiteiten en goodwill in Bedrijf 2per 1 juli 2023 reeds zijn overgedragen aan een samenwerkingspartner. Per september 2024 is daarom geen actief meer beschikbaar voor verdeling.

Bij vonnis van 25 september 2024 is Bedrijf 2 veroordeeld om € 42.350,00 vermeerderd met rente en kosten aan Holding te betalen. Toen op 3 oktober 2024 de inschrijving van de turboliquidatie door de Kamer van Koophandel was verwerkt, heeft de advocaat van Bedrijf 2 hiervan mededeling gedaan aan Holding. In deze procedure vordert Holding veroordeling van Bedrijf 1 en B als (indirect) bestuurders van Bedrijf 2 tot betaling van € 42.350,00 vermeerderd met rente en kosten.

Het wettelijke kader

Een rechtspersoon kan worden ontbonden door een besluit van de algemene vergadering of, indien de rechtspersoon een stichting is, door een besluit van het bestuur tenzij in de statuten anders is voorzien (artikel 2:19 lid 1 sub a BW). Lid 4 van artikel 2:19 BW bepaalt dat indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, hij alsdan ophoudt te bestaan (de zogeheten turboliquidatie). In dat geval doet het bestuur daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven binnen veertien dagen na de ontbinding middels deponering van de in artikel 2:19b lid 1 BW genoemde stukken. Verder verplicht lid 2 van artikel 2:19b BW het bestuur om onverwijld nadat de deponering als bedoeld in het vorige lid is gedaan, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de schuldeisers.

Op grond van artikel 2:9 BW is een bestuurder jegens de vennootschap gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Deze plicht geldt ook in het kader van uitvoering geven aan een turboliquidatie. In onder meer de uitspraak Ontvanger/X (ECLI:NL:HR:2006:AZ0758) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in het geval dat een schuldeiser van de vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering wordt benadeeld, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, naast aansprakelijkheid van de vennootschap ook sprake kan zijn van aansprakelijkheid van de bestuurder(s) van de vennootschap. In het algemeen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens een schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld als hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Het oordeel van de rechter

Onder verwijzing naar HR Ontvanger/X formuleert de rechtbank de toepasselijke maatstaf voor de aansprakelijkheid van bestuurder(s):

de betrokken bestuurder kan voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

De rechtbank oordeelt dat aan deze maatstaf is voldaan. Dit betekent dat Bedrijf 1 en B aansprakelijk zijn voor de schade die Holding heeft geleden doordat haar vordering op Bedrijf 2 onbetaald is gebleven. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende omstandigheden:

  • uit de ingediende formulieren bij de Kamer van Koophandel blijkt dat Bedrijf 2 haar activiteiten en goodwill per 1 juli 2023 heeft overgedragen aan een samenwerkingspartner. Dit was na 31 maart 2023, toen Bedrijf 2 door Holding werd gedagvaard. Bedrijf 2 had rekening moeten houden met de kans op een veroordelend vonnis;
  • de voornoemde verkoop heeft plaatsgevonden zonder Holding te informeren;
  • de opbrengsten uit voornoemde verkoop zijn selectief aangewend om andere crediteuren dan Holding te voldoen;
  • de gedeponeerde stukken bij de Kamer van Koophandel voldoen niet aan de vereisten van artikel 2:19b lid 1 BW en daarmee is niet de vereiste transparantie betracht die de wet vereist.
  • Bedrijf 1 en B hebben niet onverwijld schriftelijk mededeling van de deponering gedaan aan Holding overeenkomstig artikel 2:19b lid 2 BW;
  • Holding is bewust buiten de afwikkeling gehouden.

De voornoemde omstandigheden leiden in samenhang tot het oordeel dat Bedrijf 1 en B zodanig onzorgvuldig met de belangen van Holding als schuldeiser zijn omgegaan, dat hen daarvan een ernstig verwijt valt te maken. Bedrijf 1 en B wisten of hadden redelijkerwijs behoren te begrijpen dat het verkopen van de activiteiten en de goodwill, gevolgd door het aanwenden van de opbrengst voor selectieve betaling van schuldeisers en een turboliquidatie tot gevolg zou hebben dat Holding onbetaald zou blijven. Ook al stond de vordering van Holding tot 25 september 2024 nog niet vast, Bedrijf 1 en B moesten er vanaf 31 maart 2023 ernstig rekening mee houden dat die vordering zou komen vast te staan en na 21 augustus 2023 was dat voorzienbaar.

Dat Bedrijf 1 en B dit traject van verkoop en ontbinding hebben ingezet nadat Bedrijf 2 op 31 maart 2023 was gedagvaard en Holding op cruciale momenten (de verkoop van de activa, het besluit tot ontbinding en de deponeringen bij het handelsregister) niet onverwijld hebben geïnformeerd, wijst op betalingsonwil. Daarop wijst ook het gebrek aan transparantie in weerwil van de eisen die daaraan op grond van de wet gesteld worden. Dat levert voldoende aanwijzingen op dat de turboliquidatie in dit geval is ingezet om van Holding als schuldeiser af te komen zonder bemoeienis van een vereffenaar of curator. Daarom zijn Bedrijf 1 en B aansprakelijk voor de schade die Holding door hun handelwijze heeft geleden.

Conclusie

Deze uitspraak onderstreept dat turboliquidatie geen vrijbrief is om schuldeisers buiten spel te zetten. Van bestuurders mag worden verwacht dat zij ook in het kader van een turboliquidatie zorgvuldig, transparant en met oog voor de belangen van schuldeisers handelen. Bestuurders doen er daarom verstandig aan om bij een (aanstaande) turboliquidatie niet alleen formeel aan de wettelijke vereisten te voldoen, maar ook materieel zorgvuldig en transparant te handelen.

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem gerust contact met ons op. We zijn u graag van dienst.

Heeft u vragen?

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Turboliquidatie: einde onderneming, einde aansprakelijkheid?
Praktijkgebieden blogs
Auteurfilter blog