Praktijkgebieden: Bedrijven in moeilijkheden, Ondernemingsrecht, Vennootschapsrecht
Aandeelhouders in een vennootschap kunnen in hun rechten en belangen worden geschaad door gedragingen van hun medeaandeelhouder(s). Bekende voorbeelden zijn het ontslag van een (minderheids)aandeelhouder als bestuurder of het beconcurreren van de vennootschap waardoor de aandelen in waarde dalen. Een (minderheids)aandeelhouder kan zich door deze gedragingen een gevangene voelen binnen de vennootschap. Hij wil van zijn aandelen af, maar dan wél tegen een redelijke prijs. Aan de hand van een recente uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 juli 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:6927 (zie ook ECLI:NL:RBGEL:2022:5344)) bespreek ik welke mogelijkheden er zijn wanneer de waardering van aandelen niet tot een billijk resultaat leidt.
N.B. Op 1 januari 2025 is de herziene geschillenregeling in werking getreden (Wagevoe). De aangehaalde uitspraak is gewezen onder het oude recht, maar biedt desondanks waardevolle aanknopingspunten voor de wijze waarop de billijke verhoging wordt toegepast in de praktijk
Helisa en Mecus hebben een onderneming die zich bezighoudt met onder andere de exploitatie en projectontwikkeling van onroerend goed. Helisa houdt twee derde van de aandelen in de vennootschap en is tevens statutair bestuurder. De verhoudingen verslechteren. Mecus is een uittredingsprocedure gestart en mag uittreden. In mei 2025 is het deskundigenbericht verschenen. De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan de waarde van de aandelen op het moment van overdracht vastgesteld op nihil. Mecus meent dat de aandelen wel degelijk enige waarde vertegenwoordigen en heeft de rechter derhalve om een billijke verhoging gevraagd.
Artikel 2:343 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (“BW”) bepaalt wanneer een aandeelhouder mag uittreden. Indien de rechter het verzoek tot uittreding toewijst, wordt een redelijke prijs voor de over te dragen aandelen in de hoofdregel vastgesteld door een aangewezen deskundige overeenkomstig de artikelen 2:339 en 2:340 BW. Het uitgangspunt daarbij is dat de deskundige de waarde van de aandelen moet vaststellen op grond van de waarde in het economisch verkeer op een datum zo dicht mogelijk gelegen bij de datum van overdracht.
Deze waardering leidt in de praktijk echter niet altijd tot het gewenste resultaat. In sommige gevallen is de vennootschap op het moment van waarderen “leeg” (activa zijn overgedragen, activiteiten gestaakt of middelen onttrokken) door toedoen van de medeaandeelhouder(s). In zulke situaties kan een louter cijfermatige waardering tekortschieten, en komt het begrip billijke verhoging in beeld. Artikel 2:343 lid 3 BW schrijft voor dat de rechter bij het bepalen van de prijs van de aandelen desverzocht een billijke verhoging kan toepassen in verband met gedragingen van de verweerder, of anderen dan de verweerder, indien aannemelijk is dat die gedragingen hebben geleid tot vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet, of niet volledig, voor rekening van de verzoekende aandeelhouder behoort te blijven.
Er zijn drie typen gedragingen die relevant kunnen zijn in het kader van de billijke verhoging: (i) de gedragingen waarop het uittredingsverzoek is gebaseerd, (ii) andere gedragingen van medeaandeelhouders die niet tevens de grondslag vormen voor het uittredingsverzoek, en (iii) gedragingen van anderen dan de medeaandeelhouders, mits die gedragingen hebben geleid tot een waardevermindering van de aandelen. De norm van de billijke verhoging (lid 3) moet daarmee onderscheiden worden van de norm voor uittreding (lid 1). Het is immers niet zo dat de toewijzing van het verzoek tot uittreding ook de toewijzing van een billijke verhoging tot gevolg heeft. Hiervoor moet aannemelijk worden gemaakt dat de gedragingen hebben geleid tot waardevermindering van de aandelen.
Zowel bij de beslissing om een billijke verhoging toe te passen als bij het vaststellen van de omvang daarvan, komt de rechter veel beoordelingsruimte toe. Van het uitgangspunt dat de peildatum wordt gekozen zo dicht mogelijk bij de datum van overdracht kan worden afgeweken in situaties waarin aanleiding is voor het toekennen van een billijke verhoging (OK Digneffe/Gijsbers). De rechter kan een eerder gelegen peildatum hanteren, doorgaans een datum net voordat de waarde verminderende gedragingen van de andere aandeelhouder begonnen.
Hoe deze beoordelingsruimte in de praktijk wordt ingevuld, blijkt uit de rechtspraak.
Bij de beoordeling of een billijke verhoging moet worden toegewezen neemt de rechter alle omstandigheden van het specifieke geval mee. In de Mecus/Helisa zaak neemt de rechter een in het verleden gelegen peildatum tot uitgangspunt. Op de peildatum waren de aandelen 65.000 euro waard. Vast is komen te staan dat Helisa als enig bestuurder van de vennootschap verliezen heeft doorbelast aan de vennootschap die de waarde hebben gedrukt. De deskundige heeft geoordeeld dat ook andere (gunstigere) keuzes voor handen waren. In ieder geval kan daarmee een deel van de waardedaling aan Helisa worden toegerekend. Daarnaast is komen vast te staan dat Mecus zelf twee projecten heeft meegenomen evenals een aantal gespecialiseerde werknemers. Ook dit is van invloed geweest op de waardedaling. Al met al ziet de rechter aanleiding om de billijke verhoging te begroten op 50% van de door de deskundige vastgestelde waarde op de peildatum.
Helisa wordt veroordeeld om de aandelen tegen de actuele waarde (nihil) van Mecus over te nemen en een billijke verhoging van 34.500 euro te betalen.
Een oordeel van de rechter omtrent de toewijsbaarheid van een billijke verhoging bij uittreding vergt een afweging van alle omstandigheden van het specifieke geval. De verzoekende aandeelhouder moet aannemelijk maken dat gedragingen van zijn medeaandeelhouder(s) hebben geleid tot vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet, of niet volledig, voor rekening zijn rekening behoort te blijven.
Heeft u vragen over dit onderwerp of overweegt u een geschillenprocedure te starten? Neemt u dan gerust contact met ons op. Wij zijn u graag van dienst.
Door het leggen van conservatoir (derden) beslag worden vermogensbestanddelen van een wederpartij per direct bevroren. Er kan geen overdracht meer plaatsvinden en in bepaalde gevallen kunnen vermogensbestanddelen zelfs elders in bewaring worden gegeven. Deze actie kan druk zetten op de wederpartij waardoor een snelle oplossing kan worden bereikt.
Beslaglegging moet wel altijd worden gevolgd door een bodem of arbitrage procedure, tenzij eerder een buitengerechtelijke oplossing wordt bereikt.
Onterecht leggen van beslag moet worden voorkomen; het kan leiden tot een schadevergoedingsactie.
Wij onderzoeken graag of dit rechtsmiddel in uw situatie tot een spoedige oplossing kan leiden.
Snel een uitspraak nodig van de rechter over een bepaalde urgente situatie? In dat geval is een kort geding een oplossing voor uw situatie. De rechter geeft een voorlopig oordeel waaraan partijen zich al dan niet op straffe van een dwangsom dienen te houden.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende juridische oplossing.
Dit is in het civiele en bestuurlijke recht de procedure die (al dan niet na hoger beroep) leidt tot een definitieve beslechting van het geschil. Anders dan in een kort geding ligt de nadruk hier veel meer op een schriftelijke uitwisseling van processtukken.
Wij onderzoeken graag of dit de aangewezen procedure is voor uw geschil.
Een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moet deze bewijzen. Voorafgaand aan iedere gewenste procedure moet derhalve de bewijspositie worden bekeken.
Soms is het bewijs nog niet voldoende in handen van de cliënt. In dat geval is nadere actie gewenst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het instellen van een (voorlopig) getuigenverhoor of het afdwingen van het verkrijgen van inzage in bepaalde documenten die zich bij de wederpartij bevinden (exhibitieplicht).
Wij zoeken graag met u naar de mogelijkheden om uw bewijsprobleem op te lossen.
Soms ontstaat er in een onderneming een intern geschil tussen aandeelhouders of tussen het bestuur en (enkele) aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de te volgen strategie van de onderneming. In dat geval kan aan de Ondernemingskamer, een speciaal daarvoor geëquipeerde afdeling van het Hof Amsterdam -- bij ons kantoor om de hoek -- een onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming worden gevraagd. Zo'n onderzoek kan worden voorafgegaan door het vragen van voorlopige voorzieningen, zoals het schorsen van een bestuurder voor de duur van de procedure of het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van een aandeelhouder.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende oplossing.