Ziek aan het roer: geen excuus voor faillissement
Wanneer een besloten vennootschap failliet gaat kunnen onbetaalde schulden in beginsel enkel worden verhaald op het vennootschapsvermogen. Dat wordt anders wanneer onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Op grond van artikel 2:248 van het Burgerlijk Wetboek (“BW“) kan de curator bestuurders, die zich schuldig hebben gemaakt aan onbehoorlijk bestuur, hoofdelijk aansprakelijk stellen voor het volledige faillissementstekort (het verschil tussen de schulden en de opbrengst van de boedel). De gevolgen van deze aansprakelijkheidsgrondslag kunnen zeer ingrijpend zijn.
In een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2026 (ECLI:NL:RBOBR:2026:4089) werden twee bestuurders op grond van artikel 2:248 BW hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het volledige boedeltekort. Het verweer dat een zware hartaanval bij een van de bestuurders de werkelijke oorzaak van het faillissement is geweest, werd verworpen. De rechtbank oordeelde dat de ziekte de bestuurder niet ontsloeg van zijn verantwoordelijkheid adequate voorzieningen te treffen. In deze bijdrage wordt de uitspraak van de rechtbank nader bekeken.
Feiten
X B.V. (de “Vennootschap“) exploiteert een onderneming op het gebied van metaalbewerking in Helmond. Vader en zoon waren sinds de oprichting op 21 september 2017 ieder zelfstandig bevoegd bestuurder en hielden ieder 50% van de aandelen in het kapitaal van de Vennootschap.
Op 18 juni 2024 werd de vennootschap failliet verklaard. De administratie die de curator aantrof, was onvolledig en grotendeels ongesorteerd, zonder debiteurenlijsten, crediteurenlijsten of een kasboek over de jaren 2022 en 2023. Daarnaast waren de jaarrekeningen over 2020 en 2021 veel te laat gedeponeerd (respectievelijk op 5 juni 2022 en 24 juli 2023). De jaarrekeningen over 2022 en 2023 waren in het geheel niet opgemaakt en evenmin gedeponeerd. De Belastingdienst had vorderingen ingediend tot een totaalbedrag van ongeveer € 700.000. De achterstand in loonbelasting was in 2021 ontstaan en de omzetbelastingschuld al in het vierde kwartaal van 2020.
Bijzonder opvallend was daarnaast het financiële gedrag van vader en zoon in de aanloop naar het faillissement. Vader had eind 2021 een rekening-courantschuld van € 168.354 aan de vennootschap, waarvan geen aflossingen waren gebleken. Vervolgens onttrokken vader en zoon tussen de faillissementsaanvraag van 2 april 2024 en de faillietverklaring op 18 juni 2024 nog eens voor circa € 80.000 aan het vermogen van de Vennootschap door betalingen aan zichzelf en contante geldopnames.
De curator heeft vanwege de aangetroffen gang van zaken op 15 juli 2024 ten laste van vader en zoon conservatoir derdenbeslag laten leggen onder de ING Bank N.V. en hen vervolgens op 26 juli 2024 gedagvaard.
Vordering curator
De curator vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van vader en zoon tot betaling van het volledige faillissementstekort op grond van artikel 2:248 BW en een bestuursverbod van vijf jaar op grond van artikel 106a Faillissementswet (“Fw“) met een dwangsom van € 10.000 per overtreding.
De curator baseert zijn vordering op schending van de boekhoudplicht ex artikel 2:10 BW en de publicatieplicht voor de jaarrekening ex artikel 2:394 BW in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement. Indien het bestuur van een vennootschap niet heeft voldaan aan zijn verplichting uit hoofde van voornoemde artikelen, levert dat op grond van artikel 2:248 lid 2 BW een onweerlegbaar vermoeden van onbehoorlijk bestuur op, alsmede een weerlegbaar vermoeden dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.
Oordeel rechtbank
Vader en zoon erkennen dat niet was voldaan aan de boekhoud- en publicatieplicht en dat dit onbehoorlijk bestuur oplevert, maar voeren aan dat een andere omstandigheid de oorzaak van het faillissement is geweest. Volgens hen was de werkelijke oorzaak gelegen in een zware hartaanval die de vader op 8 januari 2023 trof, waardoor hij bijna een jaar volledig arbeidsongeschikt was. Vader was de drijvende kracht achter de onderneming en onderhield alle contacten met opdrachtgevers. Zoon was weliswaar medebestuurder, maar beschikte gezien zijn jonge leeftijd niet over de kennis en kunde om de onderneming zelfstandig voort te zetten.
Daardoor zijn vader en zoon van mening dat zij niet aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort. Subsidiair deden vader en zoon een beroep op matiging van de schadevergoeding op grond van artikel 2:248 lid 4 BW. Ten aanzien van het gevorderde bestuursverbod betogen zij dat geen sprake was van fraude, dat dit hun eerste faillissement betrof, en dat vader via andere vennootschappen inkomen genereerde dat bij oplegging van een bestuursverbod volledig zou opdrogen.
De rechtbank verwerpt het verweer van vader en zoon dat de oorzaak van het faillissement gelegen is in de ziekte van vader. Daarbij oordeelt de rechtbank dat ziekte niet automatisch leidt tot faillissement en bovendien ontslaat een dergelijke toestand bestuurders niet van de plicht adequate voorzieningen te treffen. Van de destijds 22-jarige zoon mocht als ingeschreven bestuurder het nodige worden verwacht, terwijl vader bovendien zelf verklaarde dat hij vanuit het ziekenhuis kon aansturen.
Cruciaal was bovendien dat de structurele belastingschulden al vanaf eind 2020 c.q. begin 2021 opliepen, ruim twee jaar vóór de hartaanval. Het verweer van vader en zoon dat corona debet was aan de vroege belastingachterstanden, wordt door de rechtbank als te vaag verworpen. De rechtbank oordeelt dat de coronamaatregelen vooral in 2020 en 2021 golden en nauwelijks meer in 2022. De rechtbank tekende ten slotte aan dat het niet getuigt van zorgvuldig bestuur om als bestuurder zonder zakelijke grondslag grote bedragen op te nemen en niet terug te betalen, terwijl schuldeisers niet worden betaald.
Het beroep op matiging ex artikel 2:248 lid 4 BW werd eveneens afgewezen, omdat de omstandigheden het beeld schiepen dat vader en zoon hun eigen financiën belangrijker achtten dan de betaling van schuldeisers. Ten aanzien van het bestuursverbod oordeelt de rechtbank dat aan de voorwaarde van artikel 106a lid 1 Fw is voldaan nu vader en zoon aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:248 BW.
Een vijfjarig bestuursverbod is volgens de rechtbank passend ter bestrijding van faillissementsrecidive en ter bescherming van toekomstige crediteuren. Het verweer dat vader via andere vennootschappen inkomen genereert dat zou wegvallen, houdt geen stand. Daarover oordeelt de rechtbank dat de vader ook in loondienst kan treden bij een derde.
Op grond van het voornoemde, veroordeelt de rechtbank vader en zoon hoofdelijk tot betaling van het volledige boedeltekort en legt ieder een bestuursverbod op van vijf jaar met een dwangsom van € 10.000 per overtreding.
Conclusie
De onderhavige uitspraak laat zien dat het niet nauw nemen met verplichtingen en verantwoordelijkheden die bij het bestuurderschap komen kijken, verregaande consequenties kan hebben. Vader en zoon zijn allebei persoonlijk aansprakelijk voor het boedeltekort in het faillissement. Daarnaast krijgen zij elk een bestuursverbod van vijf jaar opgelegd, waardoor zij gedurende die periode geen bestuursfunctie of commissariaat meer mogen bekleden bij meer mogen bekleden bij een rechtspersoon naar Nederlands recht. De financiële en professionele consequenties kunnen dan ook enorm zijn.
Deze uitspraak onderstreept een aantal kernlessen voor bestuurders van rechtspersonen. Allereerst is de administratieplicht geen formaliteit. Bestuurders die hun boekhouding verwaarlozen of jaarrekeningen niet tijdig deponeren, zetten bij een faillissement de deur wagenwijd open naar persoonlijke aansprakelijkheid. De wet is onverbiddelijk en schending van de boekhoudplicht of de publicatieplicht levert vaststelling van onbehoorlijk bestuur op.
Daarnaast is ziekte geen excuusgrond als oorzaak van het intreden van een faillissement. Verwacht wordt dat bij langdurige uitval van een bestuurder, adequate voorzieningen worden getroffen in de vorm van een waarnemer, een interim-bestuurder of een overdracht van taken. Een onderneming onbeheerd laten wegzakken wordt niet geaccepteerd als overmacht.
Tot slot, sinds de invoering van artikel 106a Fw kan de rechtbank bestuurders verbieden om gedurende maximaal vijf jaar als bestuurder of commissaris op te treden. Een bestuursverbod wordt niet vaak opgelegd, maar deze uitspraak laat zien dat de rechter die bevoegdheid wél daadwerkelijk inzet wanneer een bestuurder zijn verplichtingen als bestuurder veronachtzaamt.
Afsluitend
Voorkomen is beter dan genezen. Zorg dat uw administratie op orde is, tref voorzieningen voor onvoorziene uitval en houd uw eigen financiën strikt gescheiden van die van de vennootschap. Heeft u vragen over uw positie als bestuurder of wordt u aangesproken door een curator? Neem gerust contact met ons op. Wij denken graag met u mee.