Praktijkgebieden: Ondernemingsrecht, Vennootschapsrecht
De positie van minderheidsaandeelhouder in een vennootschap kan soms beknellend zijn. Besluiten worden door de algemene vergadering genomen, waarbij zeggenschap doorgaans in verhouding staat tot het aandelenbelang. Wie een meerderheid van de aandelen bezit, bepaalt vaak de koers van de onderneming. Minderheidsaandeelhouders bevinden zich hierdoor in een kwetsbare positie. Zij beschikken over onvoldoende stemrecht om zelfstandig invloed uit te oefenen op de besluitvorming en zijn afhankelijk van het handelen – en de zorgvuldigheid die hierbij wordt betracht – van de meerderheidsaandeelhouder(s).
Om de belangen van álle aandeelhouders te waarborgen, kent het vennootschapsrecht een zorgvuldigheidsplicht die voortvloeit uit artikel 2:8 BW. In deze blog bespreek ik aan de hand van een uitspraak van de Ondernemingskamer (Hof Amsterdam (OK) 24 december 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3574 (Simetra)) hoe de zorgvuldigheidsplicht jegens de minderheidsaandeelhouder in de praktijk uitwerkt.
In beginsel staat het iedere aandeelhouder vrij om in de AVA zijn eigen belangen na te streven. Dit volgt onder andere uit HR Wennex (HR 30 juni 1944, ECLI:NL:HR:1944:BG9449). De vrijheid om het eigen belang na te streven wordt waar nodig beperkt door artikel 2:8 BW. Dit artikel bepaalt dat de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken, zich jegens elkaar moeten gedragen in overeenstemming met hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.
De Hoge Raad heeft in HR Zwagerman (HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857) voor het eerst nadrukkelijk een zorgvuldigheidsplicht jegens de minderheidsaandeelhouder aangenomen. In navolging van de Ondernemingskamer heeft zij geoordeeld dat uit artikel 2:8 BW voortvloeit dat de uitwerking van de zorgvuldigheidsplicht mede afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij in aanmerking mag worden genomen dat het gaat om minderheidsaandeelhouders tegenover meerderheidsaandeelhouders. De zorgvuldigheidsplicht vereist een hoge mate van transparantie jegens de minderheidsaandeelhouder. Juist omdat besluiten kunnen worden genomen tegen de wens van de minderheidsaandeelhouder in, is het van belang dat hij goed wordt geïnformeerd omtrent de intenties van zijn medeaandeelhouder(s). Dit geldt des te meer als de meerderheidsaandeelhouder tevens bestuurder is van de vennootschap. De inhoud van de zorgvuldigheidsplicht en hoe zwaar de zorgvuldigheidsplicht weegt, zijn afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo kan de zorgvuldigheidsplicht zwaarder wegen indien de omstandigheden van het geval dit vergen. In de Simetra-zaak is door de Ondernemingskamer een specifieke invulling gegeven aan de zorgvuldigheidsplicht.
Simetra B.V. (Simetra) is een samenwerkingsvehikel tussen twee natuurlijke personen, A en B, met als doel een hotel te realiseren in Amsterdam. A houdt een meerderheid van 90% van de aandelen in Simetra. B houdt een minderheidsbelang van 10% in Simetra middels zijn persoonlijke holding Nortra B.V. (Nortra). Dochtermaatschappij van Nortra, Aeon Plaza Hotels Management B.V. (Aeon), is enig statutair bestuurder van Simetra. Gedurende de samenwerking is een conflict ontstaan over (de afspraken rondom) de financiering van het project. De verhoudingen tussen A en B zijn verstoord geraakt. Vaststaat dat beide partijen blaam treft voor het ontstaan van het geschil. De verstoorde verhoudingen hebben onder meer geleid tot het ontslag van Aeon – en daarmee indirect B – als bestuurder van Simetra in 2019. A heeft zichzelf vervolgens tot bestuurder benoemd.
In deze enquêteprocedure staan twee, daaropvolgende, emissies van aandelen in 2020 ter geschil. Als gevolg van deze emissies is het aanvankelijke belang van 10% van Nortra in Simetra verwaterd tot 0,0001%. Ondanks de door Nortra geuite bezwaren zijn de emissiebesluiten doorgezet door A.
Nortra verzoekt de Ondernemingskamer om vast te stellen dat sprake is van wanbeleid en de twee emissiebesluiten uit 2020 te vernietigen wegens schending van de zorgvuldigheidsplicht die meerderheidsaandeelhouder A jegens haar dient te betrachten.
In het enquêterecht staat het belang van de vennootschap voorop. Indien aan de vennootschap een onderneming verbonden is, wordt haar belang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming.
De Ondernemingskamer geeft in rechtsoverweging 5.1.3 een specifieke invulling aan de zorgvuldigheidsplicht die dient te worden betracht door een meerderheidsaandeelhouder in het geval van emissiebesluiten:
“Indien een vennootschap overweegt aandelen uit te geven, terwijl op voorhand rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat een minderheidsaandeelhouder niet (naar rato van diens belang) in de uitgifte zal participeren, is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de uitgifte. De zorgvuldigheidsplicht dient in beginsel erop te zijn gericht dat de uitgifte geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Dit brengt mee dat de noodzaak en de omvang van de uitgifte voldoende duidelijk moeten zijn gebleken en dat de uitgiftekoers in een redelijke verhouding staat tot de waarde van de aandelen van dezelfde soort voorafgaand aan de uitgifte. Daartoe kan inschakeling van een onafhankelijk (waarderings)deskundige gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Voorts dient de besluitvorming te berusten op een transparant proces. Dat betekent dat onder meer dat de minderheidsaandeelhouder ruimhartig van verifieerbare informatie wordt voorzien en dat deze waar nodig wordt betrokken in het waarderingsproces.”
De Ondernemingskamer komt aan de hand van dit beoordelingskader tot het oordeel dat Simetra en A in strijd hebben gehandeld met de op hen rustende zorgvuldigheidsplicht jegens minderheidsaandeelhouder Nortra. De besluiten zijn op gebrekkige wijze tot stand gekomen en de informatievoorziening was ondermaats. Daarnaast ontbrak enige waardering of (liquiditeits)prognose bij de eerste emissie en berustte de tweede emissie op een ontoereikende dan wel onjuiste waarderingsmethode waar Nortra niet bij is betrokken door A.
Toch komt de Ondernemingskamer niet tot het oordeel dat sprake is van wanbeleid. Gedurende het onderzoek is de noodzaak van aanvullende financiering vast komen te staan en is Nortra in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van haar voorkeursrecht. Ook is niet gebleken dat de verwatering Nortra in financiële zin heeft benadeeld. Alle bevindingen in samenhang bezien, kunnen niet leiden tot het oordeel dat sprake is van wanbeleid. Wel getuigt het beleid en de gang van zaken van Simetra ten aanzien van de emissies van onjuist beleid. De hoge drempel van wanbeleid wordt niet gehaald en het verzoek van Nortra wordt derhalve afgewezen. Ook van een kostenveroordeling op grond van onjuist beleid (artikel 2:354 BW) ziet de Ondernemingskamer af, nu Nortra zelf heeft bijgedragen aan de conflictueuze situatie tussen partijen door het gesprek over alternatieve wijzen van financiering uit de weg te gaan. Dit doet niets af aan de schending door Simetra en A van hun uit artikel 2:8 BW voortvloeiende zorgvuldigheidsplicht, maar plaatst hun handelen wel in perspectief.
Het schenden van de zorgvuldigheidsplicht betekent niet dat zonder meer sprake is van wanbeleid. Welke gevolgen de schending van de zorgvuldigheidsplicht heeft, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Het is belangrijk om als aandeelhouder een goede inschatting te maken van de eigen positie binnen de vennootschap en de rechten en verplichtingen die hierbij komen kijken. Deze uitspraak van de Ondernemingskamer benadrukt het belang van een transparante informatievoorziening tussen de aandeelhouders.
Heeft u vragen over dit onderwerp? Neemt u dan gerust contact met ons op. Wij zijn u graag van dienst.
Door het leggen van conservatoir (derden) beslag worden vermogensbestanddelen van een wederpartij per direct bevroren. Er kan geen overdracht meer plaatsvinden en in bepaalde gevallen kunnen vermogensbestanddelen zelfs elders in bewaring worden gegeven. Deze actie kan druk zetten op de wederpartij waardoor een snelle oplossing kan worden bereikt.
Beslaglegging moet wel altijd worden gevolgd door een bodem of arbitrage procedure, tenzij eerder een buitengerechtelijke oplossing wordt bereikt.
Onterecht leggen van beslag moet worden voorkomen; het kan leiden tot een schadevergoedingsactie.
Wij onderzoeken graag of dit rechtsmiddel in uw situatie tot een spoedige oplossing kan leiden.
Snel een uitspraak nodig van de rechter over een bepaalde urgente situatie? In dat geval is een kort geding een oplossing voor uw situatie. De rechter geeft een voorlopig oordeel waaraan partijen zich al dan niet op straffe van een dwangsom dienen te houden.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende juridische oplossing.
Dit is in het civiele en bestuurlijke recht de procedure die (al dan niet na hoger beroep) leidt tot een definitieve beslechting van het geschil. Anders dan in een kort geding ligt de nadruk hier veel meer op een schriftelijke uitwisseling van processtukken.
Wij onderzoeken graag of dit de aangewezen procedure is voor uw geschil.
Een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moet deze bewijzen. Voorafgaand aan iedere gewenste procedure moet derhalve de bewijspositie worden bekeken.
Soms is het bewijs nog niet voldoende in handen van de cliënt. In dat geval is nadere actie gewenst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het instellen van een (voorlopig) getuigenverhoor of het afdwingen van het verkrijgen van inzage in bepaalde documenten die zich bij de wederpartij bevinden (exhibitieplicht).
Wij zoeken graag met u naar de mogelijkheden om uw bewijsprobleem op te lossen.
Soms ontstaat er in een onderneming een intern geschil tussen aandeelhouders of tussen het bestuur en (enkele) aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de te volgen strategie van de onderneming. In dat geval kan aan de Ondernemingskamer, een speciaal daarvoor geëquipeerde afdeling van het Hof Amsterdam -- bij ons kantoor om de hoek -- een onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming worden gevraagd. Zo'n onderzoek kan worden voorafgegaan door het vragen van voorlopige voorzieningen, zoals het schorsen van een bestuurder voor de duur van de procedure of het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van een aandeelhouder.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende oplossing.