Praktijkgebieden: Bedrijven in moeilijkheden, Ondernemingsrecht, Vennootschapsrecht
Naar Nederlands recht zijn er verschillende mogelijkheden om een vennootschap te ontbinden. Een van die mogelijkheden is het turboliquideren van de vennootschap conform artikel 2:19 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (“BW”), waarbij als uitgangspunt geldt dat er geen baten meer in het vermogen van de vennootschap mogen zitten ten tijde van het ontbindingsbesluit.
Echter, het kan voorkomen dat, vanaf het moment dat de vennootschap “in liquidatie” is, er een (potentiële) bate ontstaat. Dit gebeurde in de onderhavige uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16981) waarin een vennootschap in liquidatie failliet werd verklaard omdat volgens de rechtbank mogelijk sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW en dit een (potentiële) bate oplevert van de vennootschap.
Oak Management B.V. (“Oak”) stelt een vordering te hebben op de vennootschap in liquidatie (de “Vennootschap”) en stelt verder dat de Vennootschap meerdere schulden van anderen onbetaald laat. Daartoe wil zij de Vennootschap failliet laten verklaren.
De Vennootschap erkent de vordering van Oak en dat zij meerdere schulden onbetaald laat. Mede in deze context en dat er daarnaast geen bekende baten meer aanwezig waren in haar vermogen, heeft de Vennootschap zich omstreeks november 2022 laten ontbinden en uitschrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De Vennootschap meent echter dat er geen belang is van Oak bij het uitspreken van een faillissement.
Daarop reageert Oak door te stellen dat er wel belang is bij het uitspreken van een faillissement, omdat sprake is van (een) potentiële bate die de faillietverklaring van de Vennootschap rechtvaardigt. Daartoe wordt aangevoerd door Oak dat er jaarrekeningen niet tijdig zijn gedeponeerd en daarmee de deponeringsplicht van artikel 2:394 BW heeft geschonden. Dit kan een grond opleveren voor bestuurdersaansprakelijkheid conform artikel 2:248 BW.
De rechtbank oordeelt dat aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Dat betekent concreet dat voldoende is gebleken van het vorderingsrecht van Oak, de aanwezigheid van meerdere schuldeisers die onbetaald blijven en de toestand van te hebben opgehouden met betalen.
Daarnaast stelt de rechtbank dat de Vennootschap is ontbonden en opgehouden te bestaan, maar dat de Vennootschap toch in staat van faillissement kan worden verklaard indien summierlijk is vast komen te staan dat (i) er feiten en omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat er baten zijn van de vennootschap en (ii) aan de vereisten van faillietverklaring is voldaan.
De rechtbank oordeelt dat de schending de deponeringsplicht, leidt tot kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en vermoed wordt dat dat deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dit leidt ertoe dat mogelijk iedere bestuurder (en/of feitelijke bestuurder) hoofdelijk aansprakelijk is voor het boedeltekort. De rechtbank is van oordeel dat summierlijk is gebleken dat er nog (mogelijke) baten zijn en dat aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan, waardoor de Vennootschap failliet wordt verklaard. Dat resulteert erin dat de Vennootschap blijft voortbestaan ter afwikkeling van het faillissement.
Uit de onderhavige uitspraak volgt dat de rechtbank heeft aangenomen dat een eventuele vordering op grond van artikel 2:248 BW uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid, een potentiële bate van de Vennootschap is. Gezien het feit dat de laatst gedeponeerde jaarrekening die voor het boekjaar 2017 is, is de deponeringplicht meerdere keren geschonden. Die schendingen zijn van relevantie voor het inroepen van artikel 2:248 BW.
Een belangrijke vraag die voortvloeit uit deze uitspraak, is of vordering op grond van artikel 2:248 BW een potentiële bate oplevert in de zin van artikel 2:19 lid 4 BW. Zoals reeds toegelicht, is voor de faillietverklaring van een geturboliquideerde vennootschap vereist dat er feiten en omstandigheden zijn die voldoende aannemelijk maken dat er baten zijn van de vennootschap. Echter, een vordering op grond van artikel 2:248 BW is in essentie geen vordering van de vennootschap maar een vordering die door de curator kan worden ingesteld namens de gezamenlijke schuldeisers van de vennootschap.
In de literatuur en rechtspraak lopen de standpunten uiteen ten aanzien van de voornoemde vraag. Tot op heden is er nog geen eenduidig antwoord op de vraag gegeven in de literatuur of rechtspraak en leiden met name de wisselende standpunten in de rechtspraak tot rechtsonzekerheid voor schuldeisers en voormalig bestuurders van vennootschappen die door middel van een turboliquidatie zijn ontbonden.
In het geval een vordering op grond van 2:248 BW wél een (potentiële) bate is in de zin van artikel 2:19 lid 4 BW zoals de rechtbank dat redeneert in de onderhavige uitspraak, kan gesteld worden de rechtbank (wellicht) te snel spreekt van het bestaan van die vordering. De rechtbank gaat bijvoorbeeld helemaal niet in op de aannemelijkheid van de vordering, de slagingskans daarvan en of de vordering überhaupt wel tot verhaal leidt. Als namelijk enkel wordt gekeken naar de aangevoerde standpunten van Oak ten aanzien van de schending van de deponeringsplicht, kan geconcludeerd worden dat door haar enkel de schending is opgemerkt, maar dat geen verdere feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht die de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling moeten onderbouwen. Het had op de weg van de rechtbank gelegen om ook daar aandacht aan te besteden zodat mogelijk duidelijker was geworden hoe de rechtbank de vordering op grond van 2:248 BW als (potentiële) bate had bestempeld in de zin van artikel 2:19 lid 4 BW.
Heeft u vragen over dit onderwerp? Neemt u dan gerust contact met ons op. Wieringa Advocaten heeft ruime ervaring met het adviseren op het gebied van het turboliquidaties en bestuurdersaansprakelijkheid. Wij zijn u graag van dienst.
Door het leggen van conservatoir (derden) beslag worden vermogensbestanddelen van een wederpartij per direct bevroren. Er kan geen overdracht meer plaatsvinden en in bepaalde gevallen kunnen vermogensbestanddelen zelfs elders in bewaring worden gegeven. Deze actie kan druk zetten op de wederpartij waardoor een snelle oplossing kan worden bereikt.
Beslaglegging moet wel altijd worden gevolgd door een bodem of arbitrage procedure, tenzij eerder een buitengerechtelijke oplossing wordt bereikt.
Onterecht leggen van beslag moet worden voorkomen; het kan leiden tot een schadevergoedingsactie.
Wij onderzoeken graag of dit rechtsmiddel in uw situatie tot een spoedige oplossing kan leiden.
Snel een uitspraak nodig van de rechter over een bepaalde urgente situatie? In dat geval is een kort geding een oplossing voor uw situatie. De rechter geeft een voorlopig oordeel waaraan partijen zich al dan niet op straffe van een dwangsom dienen te houden.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende juridische oplossing.
Dit is in het civiele en bestuurlijke recht de procedure die (al dan niet na hoger beroep) leidt tot een definitieve beslechting van het geschil. Anders dan in een kort geding ligt de nadruk hier veel meer op een schriftelijke uitwisseling van processtukken.
Wij onderzoeken graag of dit de aangewezen procedure is voor uw geschil.
Een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moet deze bewijzen. Voorafgaand aan iedere gewenste procedure moet derhalve de bewijspositie worden bekeken.
Soms is het bewijs nog niet voldoende in handen van de cliënt. In dat geval is nadere actie gewenst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het instellen van een (voorlopig) getuigenverhoor of het afdwingen van het verkrijgen van inzage in bepaalde documenten die zich bij de wederpartij bevinden (exhibitieplicht).
Wij zoeken graag met u naar de mogelijkheden om uw bewijsprobleem op te lossen.
Soms ontstaat er in een onderneming een intern geschil tussen aandeelhouders of tussen het bestuur en (enkele) aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de te volgen strategie van de onderneming. In dat geval kan aan de Ondernemingskamer, een speciaal daarvoor geëquipeerde afdeling van het Hof Amsterdam -- bij ons kantoor om de hoek -- een onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming worden gevraagd. Zo'n onderzoek kan worden voorafgegaan door het vragen van voorlopige voorzieningen, zoals het schorsen van een bestuurder voor de duur van de procedure of het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van een aandeelhouder.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende oplossing.