Boete voor een artikelen over Ozempic: waar ligt de grens tussen journalistiek en verboden reclame?
Een boete van tienduizenden euro’s voor een artikel over medicijnen als Ozempic en Wegovy: dat klinkt niet als iets waar een journalist rekening mee houdt. Toch is precies dat gebeurd. Verschillende kranten en een tijdschrift kregen een boete opgelegd voor hun berichtgeving hierover. In deze blog leggen we uit welke regels hierachter schuilgaan, bekijken we kritisch of deze boetes terecht zijn, en vergelijken we deze zaak met een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam over vrijwel hetzelfde onderwerp. Ook gaan we in op een vraag die raakt aan een grondrecht: mag de overheid journalisten beboeten voor wat zij schrijven, of botst dit met de vrijheid van meningsuiting?
Dit onderwerp sluit aan bij een blog die wij eerder schreven over de Geneesmiddelenwet. Daarin bespraken we wanneer een product eigenlijk als geneesmiddel wordt aangemerkt. De vraag die in deze blog centraal staat gaat een stap verder: als vaststaat dat iets een geneesmiddel is, wanneer is berichtgeving daarover dan verboden reclame?
Wat zegt de wet over reclame voor medicijnen?
De Geneesmiddelenwet verbiedt reclame voor receptplichtige medicijnen die gericht is op het grote publiek. Dat heet publieksreclame. De wet omschrijft reclame heel breed: het gaat om “elke vorm van beïnvloeding met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen, dan wel het geven van de opdracht daartoe”. Daarnaast moet alle informatie in reclame kloppen met de officiële productinformatie van het medicijn, de zogeheten samenvatting van de productkenmerken (artikel 84 lid 2 Geneesmiddelenwet).
Waarom is die definitie zo ruim? Volgens vaste rechtspraak hierover (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2021:1422 en ECLI:NL:RVS:2019:1038) moet het begrip reclame voor geneesmiddelen breed worden uitgelegd, juist om de volksgezondheid goed te beschermen. Zelfs een tekst die alleen feitelijke informatie geeft, kan als reclame gelden als die tekst bedoeld is om het gebruik van het medicijn te stimuleren. Puur informatieve berichtgeving zonder promotioneel doel blijft wel toegestaan. Het probleem: die grens is in de praktijk vaag, en dat maakt het voor bijvoorbeeld redacties lastig om vooraf te weten waar ze aan toe zijn.
Een concrete zaak: wat oordeelde de rechter over Ozempic-artikelen?
Een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam laat goed zien hoe streng deze regels worden toegepast (ECLI:NL:RBAMS:2026:5160). Het ging om twee publicaties: een artikel in Flair over drie vrouwen die met Ozempic waren afgevallen, en een artikel in De Stentor over iemand die Ozempic en Wegovy gebruikte. De rechter oordeelde dat beide artikelen, ondanks hun journalistieke vorm, verboden publieksreclame waren. Koppen als “Wondermiddel” en persoonlijke succesverhalen gaven de doorslag: die konden volgens de rechtbank “moeilijk anders aangemerkt worden dan het aanprijzen” van het medicijn.
Opvallend is dat een journalistieke intentie de uitgever niet redde. De rechtbank overwoog dat het niet uitmaakt of de bedoeling was om te informeren: het gaat om het effect dat een artikel op lezers heeft, niet om de goede bedoelingen van de schrijver. Ook het ontbreken van een commercieel belang bij de uitgever maakte geen verschil.
Botst dit met de persvrijheid?
De uitgever voerde aan dat de boete een “chilling effect” zou hebben: journalisten zouden niet meer durven schrijven over medicijnen uit angst voor sancties. De rechtbank toetste dit aan artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat de vrijheid van meningsuiting beschermt maar ook ruimte laat voor beperkingen. Zo’n beperking is toegestaan als die in de wet staat, een legitiem doel dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving.
De rechtbank concludeerde dat aan al deze voorwaarden was voldaan: het verbod staat in de Geneesmiddelenwet, beschermt de volksgezondheid, en is proportioneel, mede omdat de boetes al met 80 procent waren verlaagd vanwege de persvrijheid. Het argument dat media hierdoor niet meer zouden kunnen berichten over medicijnen werd verworpen: journalisten mogen gewoon over medicijnen schrijven, zolang dat op een neutrale, feitelijke manier gebeurt.
Toch is hier wat op af te dingen. De redenering komt erop neer dat de persvrijheid niet in het gedrang komt zolang je je aan het verbod houdt, maar de vraag was juist waar dat verbod precies begint. Omdat het begrip reclame zo ruim wordt uitgelegd, is voor een redactie vooraf lastig te bepalen of bijvoorbeeld een verhaal over gewichtsverlies wel of niet als “aanprijzing” telt. Die onduidelijkheid, en niet alleen een slechte intentie van de schrijver, kan al een afschrikkend effect hebben. Het Europees Hof voor de Mensenrechten hecht in zijn rechtspraak over artikel 10 EVRM doorgaans veel belang aan juist die voorspelbaarheid vooraf. Dat aspect komt in deze uitspraak amper aan de orde.
Hoe verhoudt zich dit tot de boetes uit het nieuwsbericht?
Verder valt op dat de boetes in de Flair- en Stentorzaak, zelfs na een korting van 80 procent, nog altijd uitkwamen op ruim € 48.000,- voor twee artikelen samen, tegen een normbedrag van €150.000,- per overtreding. Of de boetes uit het nieuwsbericht van vergelijkbare omvang waren, en of daar ook zo’n forse matiging is toegepast, valt uit het nieuwsbericht zelf niet met zekerheid af te leiden. Ook is niet duidelijk of de toonzetting van die artikelen even wervend was als bij de Flair- en Stentorpublicaties. En precies dat verschil in toonzetting kan, gezien de sterk feitelijke beoordeling die de rechter hanteert, de doorslag geven. Het is dan ook maar de vraag hoe die zaken zich verhouden tot 10 EVRM en of er daar überhaupt wordt voldaan aan de definitie van ‘reclame’, zoals volgt uit artikel 84 Geneesmiddelenwet.
Conclusie: wat betekent dit voor journalistiek over medicijnen?
De boetes voor berichtgeving over Ozempic en Wegovy zijn gebaseerd het uitgangspunt van het beschermen van de volksgezondheid tegen ongecontroleerd medicijngebruik. De Rechtbank Amsterdam oordeelde in de Flair- en Stentorzaak dat dit reclameverbod een gerechtvaardigde beperking van de persvrijheid oplevert, mede dankzij de forse korting op de boetes. Toch blijft er ruimte voor kritiek: de zeer ruime uitlegging van het begrip reclame maakt het voor journalisten vooraf moeilijk te voorspellen wanneer een artikel de grens overschrijdt, en dat gebrek aan duidelijkheid raakt de persvrijheid mogelijk sterker dan de rechter erkent. Wij sluiten dan ook niet uit dat al deze boetezaken een staartje krijgen (al dan niet in verdere rechtspraak).