icon

Conclusie van de A-G over interpretatie van de Woo

De Wet open overheid (Woo) is nu iets langer dan drie jaar in werking en houdt de gemoederen goed bezig, zowel in de pers als in de juridische wereld! Eerder schreven wij al een blog over dat de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) staatsraad advocaat-generaal Wattel (A-G) vroeg om een conclusie over de betekenis en reikwijdte van artikel 5.2, derde lid Woo. Aanleiding daarvoor is het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 januari 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2024:93), ook wel geduid als de Nunspeet-zaak.

Artikel 5.2, derde lid Woo luidt:

“Onverminderd het eerste en tweede lid wordt uit documenten opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming […] informatie verstrekt over persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm, tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad.”

Het derde lid is om bestuursorganen te verplichten om informatie te verstrekken over persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming. Deze verplichting geldt tenzij daardoor het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad.

De A-G heeft inmiddels deze conclusie genomen (ECLI:NL:RVS:2025:3096). Dat is een nieuwe blog waard!

Vragen aan de A-G

Aan de A-G waren drie vragen gesteld, namelijk de volgende:

  1. Wat is gezien de totstandkomingsgeschiedenis en het systeem van de Woo de betekenis van het begrip ‘formele bestuurlijke besluitvorming’ in artikel 5.2, derde lid Woo;
  2. In welk soort situaties wordt het belang van het kunnen voeren van intern beraad onevenredig geschaad door het verstrekken van persoonlijke beleidsopvattingen in documenten opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming in een vorm die niet tot personen herleidbaar is;
  3. Tot welke resultaten zouden de bespiegelingen naar aanleiding van de eerste twee vragen volgens de A-G logischerwijs leiden in deze zaak van de gemeente Nunspeet?

Antwoorden van de A-G

De A-G heeft in de conclusie (min of meer) antwoord gegeven op deze vragen.

  1. Wat onder ‘formele bestuurlijke besluitvorming’ (‘fbb’) moet worden verstaan zal van geval tot geval beantwoord moeten worden. Categorisch valt er weinig over te zeggen, behalve in negatieve zin: ‘fbb’-stukken zijn niet: stukken die (nog) niet zijn bedoeld om aan het bestuursorgaan voor te leggen voor een keuze uit mogelijkheden van bestuurlijk handelen of nalaten bij de taakuitoefening van dat bestuursorgaan; die nog circuleren ‘in de fase waarin het besluit nog moet worden genomen’ waarin ‘er de ruimte moet zijn om gedachten en concepten uit te wisselen’. De wetgever heeft het voor het overige vaag gehouden. De wetgever wilde een belangenafweging, zodat het volgens de A-G juister lijkt om zulke adviezen onder de relatieve bescherming (gemotiveerde belangenafweging) van artikel 5.1 en artikel 5.2, derde lid Woo te laten vallen, en daarmee onder vraag 2.
  2. Het memo waar de verzoeker om vraagt, is opgesteld ten behoeve van intern beraad. Dan moet het volgende beoordelingsschema doorlopen worden:
    Staan er persoonlijke beleidsopvattingen in?
    Zo nee, dan moet het in beginsel openbaar gemaakt worden;
    Zo ja: is het opgesteld ten behoeve van ‘formele bestuurlijke besluitvorming’?
    Zo nee, dan kan openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen geweigerd worden;
    Zo ja, dan moet het memo openbaar gemaakt worden in een vorm waarin die opvattingen niet tot personen herleidbaar zijn, tenzij het kunnen voeren van intern beraad door openbaarmaking onevenredig geschaad zou worden of een ander in artikel 5.1 Woo genoemd belang opweegt tegen het algemene belang bij openbaarmaking.
  3. Een belangenafweging is altijd ‘gevalsgebonden’, maar onder onevenredige schade aan intern beraad kan in elk geval vallen:
    (i) belemmering van het goed functioneren van de overheid,
    (ii) gevaar voor de eenheid van kabinetsbeleid,
    (iii) de betrokkenheid van derden, bijvoorbeeld bij ambtelijke waardering van onderhandelingsposities, en
    (iv) het risico van persoonlijke beschadiging van ambtenaren.
    Omdat artikel 5.2, derde lid Woo (de intern beraad-uitzondering) beroep op andere uitzonderingen niet uitsluit, kunnen ook alle belangen die in artikel 5.1 Woo worden genoemd het belang bij vrij intern beraad invullen.

Nunspeet-zaak

In de Nunspeet-zaak was het ontwerpbestemmingsplan naar aanleiding van het verzochte memo van tafel gegaan en was er een herziene versie van het plan opgesteld. Volgens de A-G kwalificeert het memo daarom als een document als bedoeld in artikel 5.2, derde lid Woo (een ‘fbb’-stuk).

De afweging of openbaarmaking van (delen van) het memo desondanks achterwege kan blijven vanwege onevenredige schade aan het intern beraad, laat de A-G over aan de Afdeling. Hij schetst hiervoor twee benaderingen:

  1. Een principiële, waarbij het goed functioneren van de overheid c.q. het voorkomen van onevenredige benadeling c.q. voorkoming van onevenredige belemmering van intern juridisch beraad zwaarder kan wegen dan het algemene belang van openbaarmaking, en
  2. Een meer casuïstische, waarbij zwaarder kan wegen dat openbaarmaking juist in dit geval kan bijdragen aan transparantie en herstel van vertrouwen.

De A-G spreekt zelf een lichte voorkeur uit voor de eerste benadering. Het is afwachten wat de Afdeling daarvan zal vinden. Binnenkort zal uitspraak volgen in de Nunspeet-zaak.

Heeft u vragen?

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Conclusie van de A-G over interpretatie van de Woo

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief