icon

Ook als een oneerlijk proceskostenbeding is vernietigd, kan de rechter de in het ongelijk gestelde consument veroordelen in de proceskosten

Inleiding

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) heeft in zijn arrest van 1 oktober 2026 (zaak C‑459/25) een prejudiciële vraag beantwoord, namelijk dat ook wanneer een oneerlijk proceskostenbeding is vernietigd, de rechter de consument die in het ongelijk wordt gesteld nog steeds kan veroordelen in de proceskosten op grond van artikel 237 Rv.

Dit antwoord volgt op een prejudiciële vraag van de Hoge Raad van 23 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:820). In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat een proceskostenbeding in een overeenkomst met een consument in het algemeen moet worden aangemerkt als een oneerlijk beding. Over dat arrest schreven wij op 17 juni 2025 een blog. In datzelfde arrest legde de Hoge Raad de prejudiciële vraag voor of de rechter, nadat een oneerlijk proceskostenbeding is vernietigd, de in het ongelijk gestelde consument nog kan veroordelen in de proceskosten op grond van artikel 237 Rv.

In deze blog gaan wij in op de prejudiciële vraag van de Hoge Raad, het antwoord van het HvJ EU en op de vraag wat deze beslissing betekent voor de dagelijkse praktijk.

Artikelen 237 en 242 Rv

Artikel 237 lid 1 Rv bepaalt dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de proceskosten wordt veroordeeld.

Op grond van artikel 242 lid 1 Rv kan de rechter bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten ambtshalve matigen, maar niet tot onder het bedrag van de op grond van de wet te begroten proceskosten.

Het geschil

De zaak draait om een huurovereenkomst voor een parkeerplaats tussen woningcorporatie Stichting Woonstichting Lieven de Key (hierna: “LdK“) en een consument-huurder (hierna: de “Consument“).

Artikel 11.1 van de tussen LdK en de Consument gesloten huurovereenkomst bepaalt dat alle voor de uitvoering van deze overeenkomst gemaakte kosten, waaronder alle proceskosten en buitengerechtelijke kosten die de verhuurder maakt, in geval van niet-nakoming door de huurder van enige bepaling van deze overeenkomst of de wet, voor rekening van de huurder zijn.

LdK vorderde bij de kantonrechter onder meer ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming, betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

De kantonrechter merkt artikel 11.1 van de huurovereenkomst aan als oneerlijk voor zover het ziet op de buitengerechtelijke kosten. Voor het deel van het beding dat ziet op de gerechtelijke kosten (het proceskostenbeding) heeft de kantonrechter prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.

Het oneerlijke proceskostenbeding

Bij arrest van 23 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:820) antwoordt de Hoge Raad dat het proceskostenbeding de positie van de consument aantast doordat het de begrenzing wegneemt die besloten ligt in het wettelijk stelsel van de proceskostenveroordeling en oneerlijk is.

Ten aanzien van de vraag of, na schrapping van het oneerlijke proceskostenbeding, nog wel een proceskostenveroordeling op grond van artikel 237 Rv kan worden uitgesproken, stelde de Hoge Raad zelf een prejudiciële vraag aan het HvJ EU. Het HvJ EU herformuleert die vraag als volgt:

“Moeten de art. 6 lid 1, 7 lid 1 en 8ter van Richtlijn 93/13 (1) aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat, in het geval dat de verkoper een oneerlijk proceskostenbeding in een overeenkomst hanteert en de overeenkomst na schrapping van het proceskostenbeding kan voortbestaan, de consument die in een gerechtelijke procedure in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de proceskosten van de verkoper, overeenkomstig het nationale procesrecht, waarvan het oneerlijke proceskostenbeding ten nadele van de consument afweek?”

Het antwoord van het HvJ EU

Het HvJ EU heeft op 1 oktober 2026 (zaak C‑459/25) geantwoord dat de richtlijn oneerlijke bedingen er niet aan in de weg staat dat ook nadat een oneerlijk proceskostenbeding is vernietigd, de rechter de in het ongelijk gestelde consument kan veroordelen in de proceskosten overeenkomstig artikel 237 Rv:

“Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van [de richtlijn oneerlijke bedingen, 93/13/EEG], gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, moeten aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat tegen een consument die in een gerechtelijke procedure in het ongelijk is gesteld, een proceskostenveroordeling overeenkomstig de nationale procesrechtelijke bepalingen inzake de verdeling en de begroting van de proceskosten wordt uitgesproken, wanneer een contractueel beding dat hem verplicht tot betaling van alle proceskosten in verband met een procedure die voortvloeit uit niet-nakoming van een van zijn verplichtingen uit hoofde van een huurovereenkomst of de wet, oneerlijk is verklaard en bijgevolg is vernietigd, maar de huurovereenkomst zonder dat beding kan voortbestaan.”

De kernredenering van het HvJ EU

De redenering van het HvJ EU kan kort als volgt worden samengevat.

Uitgangspunt is dat de nationale rechter een oneerlijk beding niet mag vervangen door een nationale bepaling van aanvullend recht indien de overeenkomst zonder dat beding kan voortbestaan. Dit vervangingsverbod beoogt de langetermijndoelstelling van artikel 7 van de richtlijn te waarborgen: het handhaven van de afschrikkende werking die uitgaat van het buiten toepassing laten van oneerlijke bedingen.

Artikel 237 lid 1 Rv en het daarbij behorende liquidatietarief zijn geen “nationale bepalingen van aanvullend recht” in de zin van de richtlijn. Artikel 237 lid 1 Rv regelt niet de betrekkingen tussen de partijen bij een overeenkomst en weerspiegelt evenmin het contractuele evenwicht, maar is uitsluitend gericht tot de nationale rechter. Daarom staat het vervangingsverbod er niet aan in de weg dat de rechter de consument in de proceskosten veroordeelt: de rechter vervangt het oneerlijke beding niet door aanvullend contractenrecht, maar oefent zijn eigen procesrechtelijke bevoegdheid uit.

Artikel 237 Rv is volgens het HvJ EU niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel, omdat het de consument niet wezenlijk ontmoedigt om zijn rechten uit te oefenen.

Gevolgen voor de praktijk

Dit arrest is goed nieuws voor verhuurders en andere gebruikers van algemene voorwaarden. In veel huurovereenkomsten en algemene voorwaarden is een proceskostenbeding opgenomen. Als vernietiging van dat beding tot gevolg zou hebben dat de consument niet meer in de proceskosten zou worden veroordeeld, zou dat grote financiële consequenties hebben voor verhuurders en andere gebruikers.

Wieringa Advocaten

Hebt u naar aanleiding van het bovenstaande vragen of wilt u uw algemene voorwaarden laten toetsen op oneerlijke bedingen? Neem dan gerust contact op. Wij denken graag met u mee.

Heeft u vragen?

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Ook als een oneerlijk proceskostenbeding is vernietigd, kan de rechter de in het ongelijk gestelde consument veroordelen in de proceskosten
Praktijkgebieden blogs
Auteurfilter blog