Wieringa AdvocatenWieringa Advocaten • Postbus 10100 1001 EC Amsterdam • IJdok 17 1013 MM Amsterdam • +31 (0)20 624 6811 • wieringa@wieringa.nl
 
Bouwrecht

Toetsing aan de tenzij-clausule bij opstal aansprakelijkheid

Artikel 6:174 BW regelt de gevallen waarin de bezitter van een opstal aansprakelijk gesteld kan worden voor schade ontstaan door een gebrek aan de betreffende opstal. De door het eerste lid van dit artikel gecreëerde aansprakelijkheid wordt risicoaansprakelijkheid genoemd. Dat wil zeggen dat de aansprakelijkheid van de bezitter afhankelijk is van een formeel criterium, zijnde diens hoedanigheid van bezitter van de gebrekkige opstal. Het is voor de toepassing niet van belang of de bezitter zelf een fout heeft begaan.

Artikel 6:174 lid 1 BW bevat de clausule dat aansprakelijkheid voor de opstal niet kan worden aangenomen als aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad zou hebben ontbroken wanneer de bezitter van de opstal dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend (de tenzij-clausule). De eigenaren van woningen gelegen op drie verschillende locaties in Dordrecht hebben gemeente Dordrecht als eigenaar en beheerster van het rioleringsstelsel aangesproken voor schade die zij als gevolg van funderingsschade hebben geleden. Het rioleringsstelsel is een opstal in de zin van artikel 6:174 lid 1 BW.

De eigenaren stellen dat de funderingsschade is ontstaan door paalrot als gevolg van lekkende riolering. Paalrot wordt veroorzaakt door schimmelaantasting van houten funderingspalen. Indien de funderingspalen zich geheel of gedeeltelijk boven het niveau van het plaatselijke grondwaterpeil bevinden kan deze schimmelaantasting optreden. Indien een riolering lek is, kan deze een drainerende werking krijgen doordat grondwater het riool binnendringt. Dit kan ertoe leiden dat houten funderingspalen in de buurt van het lek droog komen te staan. Het gevolg van paalrot is dat het dragend vermogen van de paal wordt aangetast.

De eigenaren stellen dat de gemeente jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door tekort te schieten in het beheer van de riolering. Ook stellen zij dat de gemeente de bewoners niet tijdig over de problematiek heeft geïnformeerd. Zij baseren hun vordering primair op artikel 6:174 BW en subsidiair op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). De vordering wordt door de rechtbank en in hoger beroep door het hof afgewezen. In cassatie stellen de eigenaren dat pas nadat is vastgesteld dat de opstal gebrekkig was, kan worden toegekomen aan een beroep op de tenzij-clausule.

De Hoge Raad oordeelt dat het de feitenrechter vrij staat uitsluitend te beoordelen of het beroep van de bezitter van de opstal op de tenzij-clausule uit artikel 6:174 lid 1 BW slaagt en, indien dit het geval is, op die grond de vordering af te wijzen. Daarbij dient de rechter veronderstellende wijs ervan uit te gaan dat aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid ingevolge deze bepaling is voldaan, en bovendien dat de bezitter van de opstal het in het artikel bedoelde gevaar kende op het tijdstip van het ontstaan ervan. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat, ook als de riolering al vanaf 1986 lek was en zij daardoor gevaar ging opleveren voor de houten funderingen van de huizen van bewoners, daaruit nog niet volgt dat zij niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden daaraan mocht stellen met het oog op voorkomging van gevaar voor de veiligheid van die funderingen.

Aangesloten wordt bij de uitspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de dijkdoorbraak bij Wilnis, waar ook over de aansprakelijkheid van een overheidslichaam voor een gesteld gebrek in een publiek werk geoordeeld werd. De Hoge Raad oordeelde toen dat bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, het aankomt op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is. Daarbij is ook van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Tevens moet rekening gehouden worden met stand van wetenschap en techniek en de financiële kaders waarbinnen het overheidslichaam zijn beleidsdoelstellingen tracht te realiseren, en met de gestelde specifieke en uitzonderlijke omstandigheden waaronder de schade zich heeft voorgedaan.

Op deze gronden verwerpt de Hoge Raad het beroep.

Deel dit artikel via     
Twitter     Twitter     E-mail     

Janneke’s recente berichten

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

 

waarnaar bent u op zoek?

pagina's waarop minstens één van de zoektermen voorkomt
pagina's waarop alle zoektermen voorkomen
pagina's waarop de exacte tekst voorkomt

in de hele website
alleen in de blog
in de website met uitzondering van de blog

Wieringa Advocaten