Praktijkgebieden: Bestuursrecht, Omgevingsrecht, Ruimtelijke ordening
In een recente uitspraak (ECLI:NL:RVS:2025:3972) oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de rechtbank en het college van B&W van de gemeente Amsterdam (het college) het bestemmingsplan ten onrechte in het nadeel van appellant hadden uitgelegd. Appellant was in dit geval aanvrager van een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een bestaande snackbar met een ‘drive through’. Deze uitspraak is een mooi voorbeeld van hoe het rechtzekerheidsbeginsel strekt tot voordeel van rechtzoekende.
Automatiek FEBO B.V. (hierna: FEBO) was met de gemeente Amsterdam in gesprek over de huur van de grond van de gemeente ten behoeve van de uitbreiding van een van haar bestaande locaties in Amsterdam. Deze uitbreiding bestond uit een ‘drive through’ waar dus verkoop via een loket zou plaatsvinden aan automobilisten. Hiervoor moest de gevel worden gewijzigd voor de loketverkoop en het aanbrengen van reclame. Er zouden verder een hoogtebegrenzer, stopbord, menukast, bestelzuil en een zuil met ‘dank voor uw bezoek’ worden gerealiseerd.
Het college oordeelde echter dat de ‘drive through’ in strijd was met het bestemmingsplan ‘Sloterdijk III’ en weigerde vervolgens mee te werken aan een afwijking van het bestemmingsplan hiervoor toen de FEBO hiervoor een aanvraag indiende. Het college vond overigens dat loketverkoop wel was toegestaan, maar niet als automobilisten hun auto niet hoefden te verlaten zoals bij een ‘drive through’.
De rechtbank stelde het college in het gelijk.
In hoger beroep komt de Afdeling tot een ander oordeel.
De Afdeling is, anders dan het college en de rechtbank, van oordeel dat de ‘drive through’ passend is binnen de bestemming ‘Bedrijf-3’. Binnen deze bestemming is – voor zover van belang – een zelfstandige horecavestiging in de categorie I toegestaan. Met horeca I wordt bedoeld: fastfood (waaronder begrepen automatiek, snackbar, loketverkoop, fastfoodrestaurant en naar de aard daarmee te vergelijken bedrijven).
Volgens de Afdeling heeft het college de ‘drive through’ ten onrechte aangemerkt als een bijbehorende voorziening bij een bestaande horecavestiging in plaats van een onderdeel van een bestaande zelfstandige horecavoorziening. Het bestemmingsplan kent geen definitie van begrippen ‘zelfstandige horecavestiging’ en ‘daarbij behorende ondergeschikte voorzieningen’, waarmee dit onderscheid dus geen basis heeft in het bestemmingsplan. Daarbij komt dat het zitgedeelte van het bestaande fastfoodrestaurant en de drive through gebruik maken van dezelfde keuken. Het bestemmingsplan sluit voorts niet uit, gelet op de omschrijving van horeca I dat verkoop via verschillende kanalen kan plaatsvinden (automatiek, snackbar, loketverkoop). Het betoog van het college dat een ‘drive through’ ruimer moet worden uitgelegd dan ‘normale’ loketverkoop, omdat er bouwwerken voor moeten worden gerealiseerd wordt ook verworpen door de Afdeling.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen waarbij dus in aanmerking moet worden genomen dat een ‘drive through’ wel binnen het bestemmingsplan past.
In dit geval was er aanvankelijk kennelijk te ‘creatief’ met de regels in het bestemmingsplan omgesprongen en dat ook nog eens in het nadeel van de rechtzoekende. Deze uitspraak in hoger beroep laat mooi zien dat het de moeite loont om een eerste nadelige uitleg van de planregels niet zomaar voor lief te nemen en een kritische houding aan te nemen als een bestemmingsplan duidelijk basis biedt voor een andere uitleg, zoals in dit geval. Hoewel het niet expliciet in de uitspraak wordt benoemd, wordt op treffende wijze het rechtzekerheidsbeginsel centraal gesteld.
Vragen over omgevingsvergunningen en omgevingsplannen? Neem contact op met een van onze specialisten bestuursrecht en omgevingsrecht.
Fleur van Wijk is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot onderstaande contactpersoon van het praktijkgebied omgevingsrecht.
Door het leggen van conservatoir (derden) beslag worden vermogensbestanddelen van een wederpartij per direct bevroren. Er kan geen overdracht meer plaatsvinden en in bepaalde gevallen kunnen vermogensbestanddelen zelfs elders in bewaring worden gegeven. Deze actie kan druk zetten op de wederpartij waardoor een snelle oplossing kan worden bereikt.
Beslaglegging moet wel altijd worden gevolgd door een bodem of arbitrage procedure, tenzij eerder een buitengerechtelijke oplossing wordt bereikt.
Onterecht leggen van beslag moet worden voorkomen; het kan leiden tot een schadevergoedingsactie.
Wij onderzoeken graag of dit rechtsmiddel in uw situatie tot een spoedige oplossing kan leiden.
Snel een uitspraak nodig van de rechter over een bepaalde urgente situatie? In dat geval is een kort geding een oplossing voor uw situatie. De rechter geeft een voorlopig oordeel waaraan partijen zich al dan niet op straffe van een dwangsom dienen te houden.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende juridische oplossing.
Dit is in het civiele en bestuurlijke recht de procedure die (al dan niet na hoger beroep) leidt tot een definitieve beslechting van het geschil. Anders dan in een kort geding ligt de nadruk hier veel meer op een schriftelijke uitwisseling van processtukken.
Wij onderzoeken graag of dit de aangewezen procedure is voor uw geschil.
Een partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten moet deze bewijzen. Voorafgaand aan iedere gewenste procedure moet derhalve de bewijspositie worden bekeken.
Soms is het bewijs nog niet voldoende in handen van de cliënt. In dat geval is nadere actie gewenst. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het instellen van een (voorlopig) getuigenverhoor of het afdwingen van het verkrijgen van inzage in bepaalde documenten die zich bij de wederpartij bevinden (exhibitieplicht).
Wij zoeken graag met u naar de mogelijkheden om uw bewijsprobleem op te lossen.
Soms ontstaat er in een onderneming een intern geschil tussen aandeelhouders of tussen het bestuur en (enkele) aandeelhouders. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de te volgen strategie van de onderneming. In dat geval kan aan de Ondernemingskamer, een speciaal daarvoor geëquipeerde afdeling van het Hof Amsterdam -- bij ons kantoor om de hoek -- een onderzoek naar de gang van zaken binnen de onderneming worden gevraagd. Zo'n onderzoek kan worden voorafgegaan door het vragen van voorlopige voorzieningen, zoals het schorsen van een bestuurder voor de duur van de procedure of het tijdelijk ontnemen van het stemrecht van een aandeelhouder.
Wij denken graag mee over de voor uw situatie passende oplossing.