Wieringa AdvocatenWieringa Advocaten • Postbus 10100 1001 EC Amsterdam • IJdok 17 1013 MM Amsterdam • +31 (0)20 624 6811 • wieringa@wieringa.nl
 
Zorg

WNT-perikelen

Afkoop vakantiedagen, ziekteperiode, en WNT-3

De Raad van State deed van zich spreken verleden week: in dezelfde week als die waarin de Afdeling Bestuursrechtspraak de uitspraak deed over gaswinning in Groningen werd het advies van de Raad van State over het wetsvoorstel WNT-3 openbaar. Het advies was negatief. U zult het zich herinneren: onder WNT-3 zouden niet alleen de salarissen van topfunctionarissen worden gemaximeerd, maar de salarissen van al het personeel van werkgevers en instellingen die onder de WNT vallen. Het advies is in zoverre een beetje mosterd na de maaltijd dat het nieuwe kabinet al had besloten af te zien van WNT-3; dat is nu formeel bevestigd. Tweede Kamerlid Selçuk Öztürk van Denk heeft het wetsvoorstel inmiddels wel als initiatiefwet ingediend. Nu de coalitie het niet wil lijkt dit initiatief niet veel kans van slagen te hebben, maar het negatieve advies van de Raad van State zal de tegenstemmende partijen dus nog wel van pas komen.

De WNT speelde verder een rol in twee uitspraken van de kantonrechter te Roermond, waar een conflict werd uitgevochten tussen een zorginstelling voor verstandelijk gehandicapten en twee van haar bestuurders. De bestuurders hadden in hun arbeidsovereenkomst een beëindigingsregeling die aanspraak gaf op een hogere vergoeding dan onder de WNT is toegestaan, maar die ten tijde van het conflict (2016) nog viel onder de overgangsregeling van art. 7.3 WNT, en dus nog geldig was. Die regeling leidde voor beide bestuurders – kennelijk – tot een vergoeding van een jaarsalaris, € 180.096,79. Beide bestuurders sloten een vaststellingsovereenkomst waarbij ze vertrokken als bestuurder en een vergoeding kregen van € 185.930,37, plus uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen. Er was daarnaast nog een complicatie: beide bestuurders hadden zich ook ziek gemeld voorafgaand aan de datum van ontslag. In beide gevallen werd aan de kantonrechter de vraag voorgelegd of de vaststellingsovereenkomst kon worden nagekomen, of dat de WNT daaraan in de weg stond.

De kantonrechter oordeelde in beide zaken dat met een vaststellingsovereenkomst de WNT niet kan worden omzeild. Dat is weinig verrassend. Met een vaststellingsovereenkomst kan weliswaar worden afgeweken van wat “dwingend recht” wordt genoemd, maar niet van regels van openbare orde – en hoewel niet altijd direct duidelijk is wat het één en wat het ander is, is die onduidelijkheid hier niet. Iets minder vanzelfsprekend – maar nog steeds niet erg verrassend – is dat de rechter uitspreekt dat de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen moet worden betrokken bij het WNT-maximum. In deze zaken hadden beide bestuurders bij ontslag op grond van hun arbeidsovereenkomst recht op vergoeding van een jaarsalaris, en als met het vergoedingbedrag die ruimte was opgebruikt kon naar het oordeel van de rechter geen betaling van vakantiedagen meer plaatsvinden. De uitspraak is wat onlogisch omdat het wél zou zijn toegestaan als de bestuurder eerst zijn vakantiedagen opmaakt en dan met ontslag gaat (wat hetzelfde kost), maar het ministerie van binnenlandse zaken heeft al sinds jaar en dag op zijn site staan dat afkoop van vakantiedagen meetelt voor het WNT-maximum. (Wat hier niet speelde: die vakantiedagen mogen vervolgens wel weer worden toegerekend aan het jaar waarin ze zijn opgebouwd, maar dat zou hier niet hebben uitgemaakt omdat beide bestuurders kennelijk als het WNT-maximum verdienden. In eerdere jaren zal dus ook geen WNT-ruimte hebben gezeten.)

Opmerkelijker echter is het oordeel van de rechter over de periode van ziekte. Bij één van de bestuurders oordeelde de rechter dat het salaris over de periode van ziekte diende te worden beschouwd als loon gedurende non-activiteit, en dus meetelde voor de berekening van de maximale ontslagvergoeding. Arbeidsongeschiktheid, zo zegt de rechter, kan een rechtvaardiging vormen voor het achterwege laten van verrekening, maar alleen als sprake is van een “overtuigende en niet ter discussie te stellen onmogelijkheid de overeengekomen werkzaamheden te verrichten”. Daarvan zou bij de betreffen de bestuurder geen sprake zijn geweest omdat hij op enig moment niet langer als arbeidsongeschikt werd aangemerkt en een nieuwe ziekmelding – kennelijk – niet was te traceren. Uitkomst in beide zaken was dus: vergoeding van €180.096,79, geen vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen, en voor de zieke bestuurder verrekening van zijn vergoeding met de tweede periode van ziekte.

Het is op zich niet zo gek dat de rechter de periode van inactiviteit meeneemt in de berekening van de maximale ontslagvergoeding – dat staat ook zo in de wet – maar de stelligheid waarmee ziekte aan betaalde vrijstelling gelijk wordt gesteld verrast mij wel een beetje. Het gaat hier om een uitspraak in eerste aanleg en je moet altijd voorzichtig zijn om daar meteen een lijn uit te traceren, maar de uitspraak toont wel aan hoe streng rechters zijn bij de toetsing van afspraken en situaties aan de WNT. Het blijft nodig – al was het maar om dit soort procedures te vermijden – de WNT-aspecten in een vroeg stadium te betrekken bij het nadenken over ontslag, zowel voor de bestuurders zelf als voor de toezichthouders.

Deel dit artikel via     
Twitter     Twitter     E-mail     

Arco’s recente berichten

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

 

waarnaar bent u op zoek?

pagina's waarop minstens één van de zoektermen voorkomt
pagina's waarop alle zoektermen voorkomen
pagina's waarop de exacte tekst voorkomt

in de hele website
alleen in de blog
in de website met uitzondering van de blog

Wieringa Advocaten