Wieringa AdvocatenWieringa Advocaten • Postbus 10100 1001 EC Amsterdam • IJdok 17 1013 MM Amsterdam • +31 (0)20 624 6811 • Wieringa@wieringa.nl
 
Bouwrecht

Opzegging aannemingsovereenkomst door opdrachtgever

Mededelingsplicht aannemer omtrent besparingen

Uit artikel 7:764 lid 1 BW volgt dat een opdrachtgever te allen tijde bevoegd is om een aannemingsovereenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. Wel zijn er voor de opdrachtgever die de overeenkomst opzegt financiële gevolgen aan deze opzegging verbonden. Uit lid 2 van artikel 7:764 BW volgt namelijk dat de opdrachtgever na opzegging de voor het gehele werk geldende prijs moet betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien.

Wanneer een opdrachtgever meent dat de verschuldigde aanneemsom lager is dan door de aannemer in rekening gebracht, rust op de opdrachtgever de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de door de aannemer genoten besparingen die op de verschuldigde aanneemsom in mindering moeten worden gebracht. In een recente uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ter zake van het bestaan en de omvang van dergelijke besparingen op de aannemer wel een belangrijke mededelingsplicht rust.

In deze zaak sloten opdrachtgevers en aannemer in verband met de verbouwing van een woning een overeenkomst van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 BW. Vervolgens is de overeenkomst op enig moment door opdrachtgevers met onmiddellijke ingang beëindigd. De aannemer vordert op grond van artikel 7:764 lid 2 BW betaling van het restant van de aanneemsom. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen, maar het restant van de aanneemsom wel verminderd met de besparingen die volgens de rechtbank voor de aannemer uit de opzegging van de overeenkomst voortvloeiden.

Het hof heeft vervolgens een lager bedrag toegewezen, op grond van de volgende redenering: "Het hof begrijpt de stellingen van [verweerder] over de overige werkzaamheden van [eiseres] in de bewuste periode aldus dat [verweerder] stelt dat [eiseres] haar werknemers op andere klussen heeft kunnen inzetten, zodat zij op de voor [verweerder] gereserveerde manuren heeft kunnen besparen. [Eiseres] stelt daartegenover dat zij per direct van de klus af is gehaald en in de periode van 8 tot 30 oktober 2009 geen andere werkzaamheden heeft weten te acquireren; daarmee is meer tijd gemoeid. Het hof stelt vast dat het inzetten van mensen op andere, reeds aangenomen klussen in beginsel geen besparing oplevert; [eiseres] had dat immers ook moeten doen als het onderhavige werk was voortgezet. Wel ligt in de rede dat [eiseres], doordat dit werk uitviel, haar andere klussen eerder dan gepland heeft kunnen afronden en zodoende weer eerder aan ander werk heeft kunnen beginnen. In ieder geval valt het op dat [eiseres] niet stelt dat haar mensen noodgedwongen hebben stil gezeten. Het hof acht dan ook aannemelijk dat [eiseres] de vrijgekomen tijd wel deels met ander werk heeft kunnen invullen, zodat zij op de door opzegging vrijgekomen arbeidstijd heeft kunnen besparen. Die vrijgekomen tijd behoeft daarom niet geheel door [verweerder] te worden vergoed. Naar redelijkheid en billijkheid oordeelt het hof dat [verweerder] de helft van de niet gewerkte arbeidsuren dient te vergoeden."

In cassatie komt aannemer (onder meer) op tegen dit oordeel van het hof en stelt dat stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de besparingen bij opdrachtgevers ligt. De Hoge Raad verwijst naar de wetsgeschiedenis bij titel 12 van boek 7 BW (Kamerstukken II 1992-1993, 23 095, nr. 3, p. 39) waar is beschreven dat op opdrachtgever inderdaad de stelplicht en bewijslast rust, maar dat op de aannemer een belangrijke mededelingsplicht rust ter zake van eventuele besparingen. De Hoge Raad oordeelt dat in het onderhavige geval opdrachtgevers aan hun stelplicht hebben voldaan met de stelling dat de aannemer haar werknemers op andere klussen heeft kunnen inzetten en dat de aannemer die stelling, gelet op de op haar rustende mededelingsplicht, onvoldoende heeft bestreden. Op deze gronden verwerpt de Hoge Raad het beroep.

Wanneer een aannemer zich geconfronteerd ziet met een opzeggende opdrachtgever die stelt dat sprake is van besparingen die op de verschuldigde aanneemsom in mindering moeten worden gebracht, kan de aannemer dus niet volstaan met enkel het betwisten van de besparingen. Gezien de op haar rustende mededelingsplicht zal de aannemer dit verweer grondig moeten uitwerken.

Deel dit artikel via     
Twitter     Twitter     E-mail     

Janneke’s recente berichten

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

 

waarnaar bent u op zoek?

pagina's waarop minstens één van de zoektermen voorkomt
pagina's waarop alle zoektermen voorkomen
pagina's waarop de exacte tekst voorkomt

in de hele website
alleen in de blog
in de website met uitzondering van de blog

Wieringa Advocaten